Les 3

Welkom!
programma
Woordenschat
nakijken opdracht uit boek

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Welkom!
programma
Woordenschat
nakijken opdracht uit boek

Slide 1 - Tekstslide

Opwarmer - welke kies je?
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2630157-nederlandse-coureur-over-reddingsactie-twijfelde-geen-moment

https://jeugdjournaal.nl/artikel/2630101-daar-komt-ie-dan-de-eerste-vliegende-auto-en-hij-komt-uit-nederland

https://jeugdjournaal.nl/artikel/2630013-veel-aandacht-voor-duitse-verkiezingen-vanwege-deze-extreme-partij

Slide 2 - Tekstslide

Wat zie je?
Kies 3 dingen die je ziet en zet ze in de chat.

Slide 3 - Tekstslide

Wat zie je?
Kies 3 dingen die je ziet en zet ze in de chat.
Maak een logische zin waarin alle 3 de woorden voorkomen.

Slide 4 - Tekstslide

Wat zie je?
Kies 3 dingen die je ziet en zet ze in de chat.
Maak een logische zin waarin alle 3 de woorden voorkomen.
 Zet nu voor elk zelfstandig naamwoord een bijvoeglijk naamwoord.

Slide 5 - Tekstslide

De universiteit organiseert extra taalcursussen om de integratie van internationale studenten te bevorderen. Wat betekent bevorderen?
A
D. Beoordelen
B
C. Stimuleren
C
B. Tegenhouden
D
A. Onderzoeken

Slide 6 - Quizvraag

De directeur benadrukte tijdens zijn toespraak dat goede examenresultaten belangrijk zijn, maar dat het welzijn van leerlingen minstens zoveel aandacht verdient. Wat betekent benadrukte?
A
A. Legde extra nadruk op
B
B. Bekritiseerde
C
C. Onderzocht
D
D. Herhaalde zonder uitleg

Slide 7 - Quizvraag

De meningen van de studenten over online onderwijs waren uiteenlopend. Sommigen waren zeer enthousiast, terwijl anderen juist veel liever op school les kregen. Wat betekent uiteenlopend?
A
Overwegend negatief
B
Goed onderbouwd
C
Sterk verschillend
D
Moeilijk te begrijpen

Slide 8 - Quizvraag

Een gebrek aan financiële middelen kan studenten belemmeren om in het buitenland te gaan studeren, zelfs wanneer zij goede studieresultaten behalen. Wat betekent belemmeren?
A
D. Voorbereiden
B
B. Verplichten
C
C. Tegenhouden of moeilijker maken
D
A. Motiveren

Slide 9 - Quizvraag

Hoewel de onderzoekers nog geen definitief bewijs hebben, vinden zij het aannemelijk dat sociale media invloed hebben op het concentratievermogen van jongeren. Wat betekent aannemelijk in deze zin?
A
C. Bewezen
B
D. Zorgwekkend
C
A. Onmogelijk
D
B. Waarschijnlijk

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent wezenlijke?
A
B. Tijdelijke
B
D. Onverwachte
C
C. Belangrijke en fundamentele
D
A. Kleine

Slide 11 - Quizvraag

Wat betekent veronderstellen?
A
A. Zonder zekerheid aannemen
B
C. Openlijk bekritiseren
C
B. Met onderzoek aantonen
D
D. Bewust ontkennen

Slide 12 - Quizvraag

Wat betekent toereikend?
A
C. Voldoende
B
D. Betrouwbaar
C
B. Betaalbaar
D
A. Beschikbaar

Slide 13 - Quizvraag

Wat betekent desondanks?
A
B. Bovendien
B
C. Toch
C
A. Daarom
D
D. Vervolgens

Slide 14 - Quizvraag

Wat betekent constateren?
A
A. Betreuren
B
D. Voorspellen
C
B. Vaststellen
D
C. Verklaren

Slide 15 - Quizvraag

Wat betekent bevorderen?
A
B. Iets toestaan wat eerder verboden was
B
C. Ervoor zorgen dat iets wordt gestimuleerd
C
A. Ervoor zorgen dat iets wordt gecontroleerd
D
D. Een ontwikkeling nauwkeurig onderzoeken

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent benadrukken?
A
A. Iets uitgebreid uitleggen
B
D. Een mening voorzichtig formuleren
C
C. Bewijzen dat iets juist is
D
B. Extra aandacht vestigen op iets

Slide 17 - Quizvraag

Wat betekent uiteenlopend?
A
D. Ongewoon of verrassend
B
B. Geleidelijk veranderend
C
A. Elkaar tegensprekend
D
C. Verschillend of gevarieerd

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent belemmeren?
A
D. Iets minder belangrijk maken
B
A. Iets moeilijker maken of tegenhouden
C
B. Iets volledig verbieden
D
C. Iets tijdelijk uitstellen

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent aannemelijk?
A
A. Verplicht om te accepteren
B
B. Waarschijnlijk of geloofwaardig
C
C. Gemakkelijk te bewijzen
D
D. Onverwacht en opvallend

Slide 20 - Quizvraag

Wat betekent wezenlijk?
A
Opvallend of bijzonder
B
Fundamenteel of van groot belang
C
Tijdelijk of veranderlijk
D
Logisch en voorspelbaar

Slide 21 - Quizvraag

Wat betekent veronderstellen?
A
Iets bewust buiten beschouwing laten
B
Iets als waar aannemen zonder bewijs
C
Iets met argumenten bewijzen
D
Een eerdere uitspraak veranderen

Slide 22 - Quizvraag

Wat betekent toereikend?
A
Gemakkelijk bereikbaar
B
Geschikt voor verschillende doeleinden
C
Betrouwbaar en nauwkeurig
D
Voldoende voor wat nodig is

Slide 23 - Quizvraag

Wat betekent desondanks?
A
In tegenstelling tot vroeger
B
Toch, ondanks wat eerder is genoemd
C
Om die reden
D
Bovendien

Slide 24 - Quizvraag

Wat betekent constateren?
A
Een mening verdedigen
B
Iets vaststellen of opmerken
C
Een conclusie in twijfel trekken
D
Iets voorspellen op basis van gegevens

Slide 25 - Quizvraag

opwarmer
https://www.youtube.com/shorts/-XdI7XkcSq4

Slide 26 - Tekstslide

Les 3

Slide 27 - Tekstslide