Huiswerk na les 1 bespreken en les 2 Vrijheid

Huiswerk na les 1 bespreken
Neem voor je je schrift en je boek (blz 59) 
en je werkboek (blz 63) en een pen
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FilosofieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Huiswerk na les 1 bespreken
Neem voor je je schrift en je boek (blz 59) 
en je werkboek (blz 63) en een pen

Slide 1 - Tekstslide

Voor we beginnen:
Kun je de vier hoofdwaarden van onze samenleving noemen?

Slide 2 - Open vraag

Niet helemaal gelukt?
Kijk in de inleiding op bladzijde 59 en probeer het nog eens.

Slide 3 - Open vraag

Het leerdoel van de inleiding
Je kunt de vier hoofdwaarden van onze samenleving noemen. 

Vrijheid
Gelijkheid
Democratie
Tolerantie

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Geef een omschrijving van het begrip 'waarde'.

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Tekstslide

Als school en een goede opleiding belangrijke waarden zijn, welke regels en normen horen daar dan bij?
2x2
Geef twee regels/normen voor leerlingen en twee regels/normen voor leraren

Slide 8 - Open vraag

Slide 9 - Tekstslide

Bedenk zelf een voorbeeld van een waarde en bedenk er twee regels/normen bij

Slide 10 - Open vraag

Slide 11 - Tekstslide

Waarom kun je zeggen dat dit hoofdstuk over waarden een ethisch hoofdstuk is?

Slide 12 - Open vraag

Waarden zijn de basis van de ethiek
Ethiek is nadenken over wat goed handelen is.

Waarden zijn de doelen die mensen echt belangrijk vinden om naar te streven; om je door je handelen voor in te spannen.

Waarden geven  richting aan ons denken over goed handelen; daarom is nadenken en spreken over onze waarden belangrijk.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Wat vind jij van de uitspraak:
"Geld is alleen maar een middel om een waarde te realiseren"?

Slide 15 - Open vraag

Privévraag:
Kun je iets noemen, dat voor veel anderen heel belangrijk is, een waarde, maar voor jou beslist niet?

Slide 16 - Open vraag

Leerdoelen Paragraaf 1: Vrijheid

  • Je kunt definiëren wat de waarde vrijheid betekent en deze koppelen aan een situatie uit jouw dagelijkse leven.
  • Je kunt uitleggen hoe deze waarde samenhangt met de andere hoofdwaarden aan de hand van een voorbeeldcasus. 
  • Je kunt het verschil noemen tussen vrijheid van - en vrijheid tot 
  • Je kunt uitleggen dat er grenzen aan de vrijheid zijn en er twee noemen, de vrijheid van anderen en je verantwoordelijkheid jegens de wet



Slide 17 - Tekstslide

Lees de inleiding van paragraaf 1 op bladzijde 59; welke twee soorten vrijheid worden onderscheiden?

Slide 18 - Open vraag

Bedenk een voorbeeld van
vrijheid van...

Slide 19 - Open vraag

Bedenk een voorbeeld van
vrijheid tot...

Slide 20 - Open vraag

Lees 1.1 Vrijheid van...
Welke voorbeelden van onderdrukking ken of ervaar jij?

Slide 21 - Open vraag

Maak Opdracht 3 blz. 60
Doe dit in je werkboek op blz. 65

Werk netjes
Schrijf leesbaar
Neem daarvoor de tijd

Slide 22 - Tekstslide

Dictatuur
Onverdraagzaamheid
Discriminatie
Onderdrukking
Vrijheid
Gelijkheid
Democratie
Tolerantie

Slide 23 - Sleepvraag

Maak ook opdracht 4 onder opdracht 3 in je werkboek. Bij welke vorm van vrijheid horen al deze voorbeelden?

Slide 24 - Open vraag

Slide 25 - Video


Hoe kan de staat als beschermer van de negatieve vrijheid botsen met de positieve vrijheid van het individu?
De staat botst met positieve vrijheid door negatieve vrijheid te beschermen: de staat beperkt de vrijheid van individuen om te interageren en hun eigen leven te leiden (negatieve vrijheid), terwijl individuen het vermogen en de middelen nodig hebben om hun eigen doelen te realiseren en hun potentieel te ontwikkelen (positieve vrijheid). Een staat die teveel negatieve vrijheid garandeert door te weinig regulering, kan bijvoorbeeld de kansen voor achtergestelde groepen beperken, waardoor hun positieve vrijheid afneemt.
Negatieve vrijheid (afwezigheid van externe belemmeringen)
Rol van de staat: Beschermt individuen tegen inmenging van anderen en de staat zelf.
Voorbeelden: Vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, het recht op privacy.
Positieve vrijheid (het vermogen om te handelen)
Rol van de staat: De staat kan individuen in staat stellen hun volledige potentieel te bereiken door hen te voorzien van >>> .
 >>> middelen en mogelijkheden.
Voorbeelden: Onderwijs, gezondheidszorg, een sociaal vangnet.
Het conflict
Beperkingen door staatstaken:
Om negatieve vrijheid te waarborgen, moet de staat soms actieve stappen ondernemen. Het beschermen van eigendomsrechten vereist bijvoorbeeld belastingen, wat een beperking van de economische negatieve vrijheid is.
Conflicten tussen de twee:
Een staat die probeert positieve vrijheid te bevorderen door middel van herverdeling of wetgeving, kan de negatieve vrijheid van anderen inperken. Denk aan de verplichting van studeren voor iedereen, wat de negatieve vrijheid van de student beperkt, maar de positieve vrijheid juist vergroot.
Balans vinden:
Het vinden van een balans tussen deze twee vormen van vrijheid is een constante uitdaging voor beleidsmakers. 

Slide 26 - Tekstslide

Leg uit hoe 'leerplicht' een situatie is waarin positieve en negatieve vrijheid onvermijdelijk botsen.

Slide 27 - Open vraag

Op pad opdracht:
Ga in de werkelijkheid op zoek naar voorbeelden van onderdrukking
Verzamel voorbeelden en maak een 'collage', verslag, beeldverslag, podcast

Lever in bij weekopdracht 2 in Teams

Slide 28 - Tekstslide

Maak opdracht 5 blz. 66 WB
Hoe helpt deze vraag je bij het leerdoel:

Je kunt definiëren wat de waarde vrijheid betekent en deze koppelen aan een situatie uit jouw dagelijkse leven.

Slide 29 - Tekstslide

Probeer:
Je kunt definiëren wat de waarde vrijheid betekent en deze koppelen aan een situatie uit jouw dagelijkse leven.
2x?
Kun je een voorbeeld bedenken met vrijheid van en een met vrijheid tot?

Slide 30 - Open vraag

Kun je ook een voorbeeld bedenken waarin de waarde van vrijheid voor jou botst met de wet, of met de vrijheid van een ander, of met een andere hoofdwaarde van onze samenleving? ( 3x, (;-) )

Slide 31 - Open vraag

Niet helemaal gelukt?
Maak dan deze opdracht. Dan kun je er nog eens mee oefenen.

Slide 32 - Tekstslide