Les klas 2: vraagzinnen

Bonjour!
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Bonjour!

Slide 1 - Tekstslide

Programme
Vraagzinnen
Petit quiz avec voca ch2
Faites le D-toets ou Slim Stampen

Krekel

Slide 2 - Tekstslide

Vraagzinnen maken
Ik weet hoe ik zinnen vragend moet maken in het Frans.
Ik ken de vraagwoorden en weet hoe ik ze moet toepassen.

Slide 3 - Tekstslide

1. Zonder vraagwoord
1. De punt vervangen door een vraagteken. (toon omhoog)

Tu as treize ans?

2. 'Est-ce que' voor de zin zetten.

Est-ce que tu as treize ans?


Slide 4 - Tekstslide

3. inversie: onderwerp en persoonsvorm omdraaien. 
Let op: gebruik dan wel een koppelstreepje.

As-tu treize ans? 

*LET OP: Bij klinkerbotsing voeg je er '-t-' tussen.

A-t-il faim?

Slide 5 - Tekstslide

Maak de volgende zin op 3 manieren vragend:
Tu as de la fièvre.

Slide 6 - Open vraag

Maak de volgende zin op 3 manieren vragend:
Il fait de la natation.

Slide 7 - Open vraag

2. Met een vraagwoord 
In het Frans kennen we de volgende vraagwoorden:
combien = hoeveel         
comment = hoe             
où = waar                     
pourquoi = waarom         
quand = wanneer           
qu'est-ce que = wat       
qui = wie                      

Slide 8 - Tekstslide

1. Gewone zin + vraagwoord
Vous allez à l'école quand?

2. Vraagwoord + est-ce que + rest van de zin
Quand est-ce que vous allez à l'école?

3. Vraagwoord + inversie 
Quand allez-vous à l'école? 

Slide 9 - Tekstslide


A
hoe
B
wie
C
wanneer
D
waar

Slide 10 - Quizvraag

quand
A
wie
B
wanneer
C
wat
D
waarom

Slide 11 - Quizvraag

comment
A
hoe
B
hoeveel
C
wat
D
wie

Slide 12 - Quizvraag

qui
A
hoe
B
wat
C
wie
D
waar

Slide 13 - Quizvraag

pourquoi
A
wanneer
B
waarom
C
waar
D
hoeveel

Slide 14 - Quizvraag

combien
A
hoe
B
waar
C
wanneer
D
hoeveel

Slide 15 - Quizvraag

qu'est-ce que
A
wie
B
waarom
C
wat
D
wanneer

Slide 16 - Quizvraag

.... tu t' appelles? Je m' appelle Eric.
.... est-ce que tu vas? Je vais à l' hôpital.
.... tu as? J'ai mal à la tête.
.... tu vas à l'hôpital? Parce que je suis malade.
.... est-ce que tu as un rendez-vous? Aujourd'hui à 14h30.
Avec....? Avec le docteur Mercier.
quand
comment
qui
pourquoi
combien
qu' est-ce que

Slide 17 - Sleepvraag

Slide 18 - Video

Qu'est ce que c'est?
A
le pied
B
les chevilles
C
la cheville
D
les pieds

Slide 19 - Quizvraag

Welke uitspraak hoort hier bij?
A
J'ai mal au nez
B
J'ai mal à la tête
C
J'ai mal au ventre
D
J'ai mal aux genoux

Slide 20 - Quizvraag

waarvan is
les yeux
meervoud?
A
le dos
B
le doigt
C
l'oeil
D
la jambe

Slide 21 - Quizvraag


vertaal: ik kan organiseren
A
je peux organiser
B
j'organise
C
je veux organiser
D
tu organises

Slide 22 - Quizvraag

j'ai mal à la gorge
wat betekent dat?
A
ik heb hoofdpijn
B
ik heb oorpijn
C
ik heb keelpijn
D
ik heb pijn aan mijn voet

Slide 23 - Quizvraag


A
Le nez
B
Les joues
C
Les jambes
D
Les oreilles

Slide 24 - Quizvraag


timer
0:15
A
la main
B
le ventre
C
le pied
D
la bouche

Slide 25 - Quizvraag


A
la jambe
B
la tête
C
le bras
D
le genou

Slide 26 - Quizvraag


A
Le bras
B
La cheville
C
La jambe
D
Le cou

Slide 27 - Quizvraag

Questions?

Slide 28 - Tekstslide

Les devoirs
Faire: D-toets, afronden chapitre 2 & Slim Stampen A t/m I

Slide 29 - Tekstslide

Merci et au revoir!😃🙋🏼‍♀️

Slide 30 - Tekstslide