• Wat doet leerling Goed luisteren, hoef niet alles te begrijpen. Let op waar de tekst over gaat.
• Vragen
o Waar ging de tekst over?
o Wat viel me op?
Nadruk: luister goed en let op belangrijke
woorden.
Slide 7 - Tekstslide
Voorlezen met nadruk
• Wat doen we: De tekst wordt nog eens door docent gelezen, nu met duidelijke pauzes en de nadruk op belangrijke woorden zoals: kolonie, kuiken, voedsel, koud.
Wat moet de leerling doen: Let op de belangrijke woorden
Samen lezen
Lees samen de tekst
Onderstreep 8 belangrijke woorden (kernwoorden) uit de tekst.
Kernwoorden zijn de belangrijkste woorden uit een tekst.
Ze zeggen waar de tekst over gaat.
Slide 8 - Tekstslide
Zelf lezen De leerlingen lezen (het liefst in tweetallen) de tekst.
• Ze onderstrepen 8 belangrijke woorden.
(Hulp: Als het moeilijk is, kan ik kiezen uit een lijst van 6–8 woorden)
Is het te moeilijk doe het klassikaal
kernwoorden
1
2
3
4
5
6
7
8
Slide 9 - Tekstslide
Kernwoorden (8 belangrijkste)
speculaasjes
specerijen
Indonesië / tropische gebieden
handel
peperduur
rijke mensen
zestiende en zeventiende eeuw
Nederland
Kernwoorden
Slide 10 - Tekstslide
Kernwoorden (8 belangrijkste)
speculaasjes
specerijen
Indonesië / tropische gebieden
handel
peperduur
rijke mensen
zestiende en zeventiende eeuw
Nederland
Speculaasjes
Slide 11 - Tekstslide
Dit blad is uitgeprint in A3 en hangt aan het Whiteboard.
Midden:
Speculaasjes
Subthema’s (armen van het web):
Wat zit erin?
→ specerijen (kaneel, kruidnagel,
nootmuskaat)
Waar komt het vandaan?
→ Indonesië, tropische gebieden
Hoe kwam het hier?
→ handel, schepen, handelsroutes
Waarom was het duur?
→ peperduur, lange reis, zeldzaam
Wie gebruikte het?
→ rijke mensen
Wanneer was dat?
→ zestiende en zeventiende eeuw
WAAR VANDAAN?
(Indonesië, tropen)
WIE? SPECULAASJES WAT ERIN?
(rijke mensen) (specerijen)
HOE HIER?
(handel)
WAAROM DUUR?
(peperduur)
WANNEER?
(16e en 17e eeuw)
Spreekopdracht
Oma Milan
o o
o o
o o
o o
Slide 12 - Tekstslide
Spreekopdracht
• Situatie: De prent laat ouder + kuiken zien.
• Rollen: Leerling 1 = ouder, Leerling 2 = kuiken
Leerling 1 (Ouder)
Ik ben… een koningspinguïn.
Ik leef in… Patagonië en op sub-Antarctische eilanden.
Ik zorg voor… mijn kuiken. Ik houd het warm en bescherm het.
Ik eet… lantaarnvissen en inktvissen.
Leerling 2 (Kuiken)
Ik ben… een kuiken van de koningspinguïn.
Ik leef in… een kolonie met veel andere pinguïns.
Ik zorg voor… dat ik bij mijn ouder blijf om warm en veilig te blijven.