Passé composé met avoir of être

Passé composé
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Passé composé

Slide 1 - Tekstslide

Lis le texte
On a passé une belle journée. Il a fait beau et chaud, 24 degrés! Le matin, on a fait du canoë sur la rivière. On a fait aussi un clip. Le résultat est super! Regarde notre clip sur Youtube. Moi, j'ai filmé le clip. Le soir, nous avons mangé de la pizza. Et après, j'ai fait du foot avec les filles. Nous avons gagné. Nous sommes les meilleures!

Slide 2 - Tekstslide

Speelt dit verhaal zich af in het heden, verleden of de toekomst?
A
Verleden
B
Heden
C
Toekomst

Slide 3 - Quizvraag

Lesdoel
Aan het einde van deze les heb je de passé composé herhaald en geoefend

Slide 4 - Tekstslide

Wat weet je al/nog van
 de passé composé?

Slide 5 - Woordweb

Uit hoeveel delen bestaat de passé composé?
A
1
B
2

Slide 6 - Quizvraag

Le passé composé
Voltooid Tegenwoordige Tijd (VTT)
- Duidt op een voltooide handeling
Ik heb een appel gegeten (en daar ben ik klaar mee)

Slide 7 - Tekstslide

Passé Composé

Onderwerp + Hulpwerkwoord + Voltooid deelwoord 

 Hulpwerkwoord: être & avoir

Slide 8 - Tekstslide

Ik heb een ijsje gegeten.
heb > hebben = avoir

Ik ben in het water gevallen.
ben > zijn = être 

avoir & être = hulpwerkwoorden (auxiliaires)

Slide 9 - Tekstslide

Welke vervoegingen horen bij être en welke bij avoir?
être
avoir
suis
avons
êtes
ont
sont
as
avez

Slide 10 - Sleepvraag

Avoir
=
  hebben



Sleep de juiste vorm van avoir naar het bijbehorende persoonlijk voornaamwoord
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je/j'
                     avons
                          ont
                             ai
                        avez
                            as
                              a

Slide 11 - Sleepvraag

Welk hulpwerkwoord gebruik je in de passé composé voor bijna 95% van de werkwoorden?
A
être
B
avoir

Slide 12 - Quizvraag

Hoe maak je van het werkwoord 'rester' een voltooid deelwoord?

Slide 13 - Open vraag

Bij welk hulpwerkwoord moet je eventueel extra letters plaatsen achter het voltooid deelwoord?
A
être
B
avoir

Slide 14 - Quizvraag

Traduis la phrase :
Ik heb een film gekeken met mijn vader.

Slide 15 - Open vraag

Traduis :
Jij hebt gedanst.

Slide 16 - Open vraag

Passé composé
Manger
j'ai
Parler
tu as
Danser
il a
Jouer
on a
Aimer
nous avons
mangé
parlé
Dansé
joué
aimé

Slide 17 - Sleepvraag

Sleep de vervoegingen naar het juiste vakje
Passé composé
Geen passé composé
Je fais
Il parle
Il a parlé
Nous avons regardé
J'ai fait
Nous regardons

Slide 18 - Sleepvraag

Passé composé - volt. dw.
Wanneer het werkwoord in de passé composé wordt vervoegd met het hulpwerkwoord être past het voltooid deelwoord zich aan het onderwerp. Kijk goed naar deze voorbeelden:
  • Il est allé au collège.                 Hij is naar school gegaan. 
  • Elle est allée au collège.          Zij is naar school gegaan. 
  • Ils sont allés au collège.          Zij zijn naar school gegaan. 
  • Elles sont allées au collège.  Zij zijn naar school gegaan. 


Slide 19 - Tekstslide

WANNEER ETRE OF AVOIR?


La maison du verbe ÊTRE

Slide 20 - Tekstslide

Anna (manger = eten) au restaurant en France.
A
a mangé
B
a mangée
C
est mangé
D
est mangée

Slide 21 - Quizvraag

Luuk et Floor (louer = huren) un appartement à Nice.
A
sont loué
B
sont louées
C
ont loué
D
ont loués

Slide 22 - Quizvraag

Il (finir = eindigen/voltooien) ses devoirs.
A
a fino
B
a finu
C
a finé
D
a fini

Slide 23 - Quizvraag

Tu (faire = doen/maken) tes devoirs ?
A
as fairé
B
as fait
C
as faié
D
as faite

Slide 24 - Quizvraag

Katia (partir = vertrekken) en France.
A
est partie
B
est parti
C
a partie
D
a parti

Slide 25 - Quizvraag

Elles (arriver = aankomen) aux États-Unis.

A
sont arrivé
B
sont arrivés
C
sont arrivées
D
sont arrivés

Slide 26 - Quizvraag

Mark (rester = blijven) aux Pays-Bas.

A
est resté
B
est restée
C
est restés
D
est restées

Slide 27 - Quizvraag

Max et Juliët (rentrer =binnengaan) à l'heure.

A
sont rentré
B
sont rentrée
C
sont rentrés
D
sont rentrées

Slide 28 - Quizvraag

Lisa ___ ___ (aller - gaan) à Paris.

Slide 29 - Open vraag

Vous _____ _______ . (aller) (man. meerv)

Slide 30 - Open vraag

Pierre, jij bent uitgegaan. (sortir)

Slide 31 - Open vraag

Zij zijn uitgegaan. (vr. meerv)
(sortir)

Slide 32 - Open vraag

Zinsvolgorde
Bevestigende zin
onderwerp + hulpwerkwoord + voltooid deelwoord + rest van de zin
ex: Elles sont allées au cinéma et elles ont vu le film Avatar 2.
Ontkennende zin
onderwerp + ne/n' + hulpwerkwoord + pas + voltooid deelwoord + rest van de zin.
ex : Elles ne sont pas allées au cinéma et elles n'ont pas vu le film Avatar 2.

Slide 33 - Tekstslide

Aujourd'hui, je n'ai pas fait beaucoup. Je n'ai pas joué de la guitare, je n'ai pas mangé beaucoup, je n'ai pas fait de devoirs. J'étais malade (=ziek).

Wat is de zinsvolgorde bij de ontkenning?
Sleep de elementen naar de goede plek

Onderwerp    +                 +                               

 +                        +                           + rest van de zin  
Pas
Ne/n'
Vorm van avoir
Voltooid deelwoord

Slide 34 - Sleepvraag

Maak een zin met een passé composé. Je hebt niet alle woorden nodig.
mon
a
un
gâteau
copain
préparé

Slide 35 - Sleepvraag

Maak een zin met een passé composé
ma
a
un
film
mère
regardé

Slide 36 - Sleepvraag

Maak een zin met een passé composé.
mon
père
a
une
chanson
chanté

Slide 37 - Sleepvraag

Slide 38 - Tekstslide

Uitzonderingen
=> ik ben geweest  = j'ai été (ik heb geweest) -
       * denk aan het Engels  I have been
=> ik ben geslaagd =  j'ai réussi (ik heb geslaagd)
=> ik ben begonnen = j'ai commencé (ik heb begonnen

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide