14/3, 3H1 3 fouten met verwijswoorden

Formuleren:
H2 en H3

1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Formuleren:
H2 en H3

Slide 1 - Tekstslide

Lesplanning

  • Lezen
  • Pitch groep 2 (4 ll): Eveline, Jill, Aimee, Noa
  1. Tahmina Akefi - Geen van ons keek om 
  2. Angie Thomas - The Hate U Give (blz. 205)
  3. Ieder een eigen boek
  • Openstaand huiswerk maken en of nakijken/verbeteren:
H2, formulering, blz. 64/65, opdracht 3
Blz. 96/97, startopdracht + opdracht 1, 2, 3 
+nakijken en verbeteren met een andere kleur
  • Afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

timer
20:00
In stilte lezen uit het door jouw gekozen boek.

Slide 3 - Tekstslide

Pitch
Eveline, Jill, Noa en Aimee
timer
5:00

Slide 4 - Tekstslide

Lesdoel(indien er tijd over is)

Aan het einde van deze les:

  • heb ik zelf gelezen (uit een zelfgekozen boek)
  • kan ik fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren
(formuleren h3)



Slide 5 - Tekstslide

Schrijf drie dingen op
die je van
de vorige les
onthouden hebt.

Slide 6 - Woordweb

Herhaling grammatica
Aanwijzend voornaamwoord die/dat
Je kunt het ‘aanwijzen + de die/dat vervangen door deze/dit
Betrekkelijk voornaamwoord die/dat
Het verwijst naar een antecedent + de die/dat kan niet worden vervangen door deze/dit

Betrekkelijk voornaamwoord wie/wat
Verwijst terug naar een antecedent
Vragend voornaamwoord wie/wat
Verwijst niet terug naar een antecedent
Telwoord (onbepaald) wie/wat
Wie/wat kun je vervangen door 'een beetje'
Onbepaald voornaamwoord wie/wat
Wie/wat kun je vervangen door 'iets'






Slide 7 - Tekstslide

In het kort betekent dit voor formuleren
Verwijswoorden kunnen voornaamwoorden of bijwoorden zijn.

Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden
Bij verwijzingen met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden maken we onderscheid tussen mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden (het-woorden).

  • Hij en zijn verwijzen naar mannelijke (m) woorden
  • Zij en haar verwijzen naar vrouwelijke (v) woorden
  • Die en deze verwijzen naar mannelijke of vrouwelijk woorden
  • Het en zijn naar onzijdige (o) woorden
  • Dit en dat verwijzen naar onzijdige woorden
  • Namen van landen en steden zijn onzijdi






Slide 8 - Tekstslide

Werk vorige les en deze les:
Alvast aan het werk? 
  • je begrijpt de lesstof/theorie voldoende (je kunt het groene theorieblok uit je boek gebruiken als ondersteuning) 
  • je kan geen vragen stellen 
  • je werkt in stilte en je mag niet praten of overleggen en geen vragen stellen
  • je bent echt aan het werk!
Klaar = in stilte lezen of werken aan een ander vak

H2, formulering, blz. 64/65, opdracht 3 (voor degenen die geen verlengde instructie gevolgd hebben)
Blz. 96/97, startopdracht + opdracht 1, 2, 3 
+nakijken en verbeteren met een andere kleur --> stel vragen over opdrachten tijdens de volgende les

Wat niet af is  = huiswerk!

Slide 9 - Tekstslide

Onjuist verwijzen 
De-woorden: die en deze
Het-woorden: dit en dat 
  • Dit meisje die daar loopt. (Niet: Deze meisje dit daar loopt)
  • Deze school en dat lokaal. (Niet: Dit school en deze lokaal)

Hen: als het verwijswoord lv is, na een vz
Hun: als het verwijswoord mv is en er geen vz voor staat + nooit ow
  • Anja noteert hen op de lijst. (NIET: Anja noteert hun op de lijst. 
  • Anja noteert hun gegevens op de lijst. (NIET: Anja noteert hen gegevens op de lijst.)
  • Is deze auto van hen of van jullie? (NIET: Is deze auto van hun of van jullie?)
  • Is deze auto van hun vader of van jullie vader? (NIET: Is deze auto van hen vader of van jullie vader?)

Slide 10 - Tekstslide

De-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord de bij staat is:
  • een mannelijk woord: de kano --> hij viel om
  • een vrouwelijk woord: de regering --> zij wordt nu gevormd
  • een woord in het meervoud: het kind --> de kinderen

Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende voornaamwoorden deze en die.
  • Deze kano ligt op het land. - Die kano ligt op het land, deze moet nog het water in.
  • Deze wedstrijd is spannend. - De wedstrijd die nu bezig is. 
  • Deze boeken zijn nog niet uitgedeeld - De boeken die morgen uitgedeeld kunnen worden.



Slide 11 - Tekstslide

De woorden zijn mannelijk of vrouwelijk.
Vrouwelijk zijn:
  • vrouwelijke dieren of personen
    • de-woorden met de volgende uitgangen
Vrouwelijke woorden



Slide 12 - Tekstslide

Mannelijke woorden

  • Alle de-woorden die niet vrouwelijk zijn, zijn mannelijk.
  • Als je van een woord niet kunt vaststellen of het mannelijk of vrouwelijk is, mag je het beschouwen als mannelijk.

Slide 13 - Tekstslide

Het-woorden
Een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord het bij staat, 
is een onzijdig woord --> niet mannelijk of vrouwelijk.
 Het cadeau (de cadeaus)

Daar kun je naar verwijzen met de aanwijzende
voornaamwoorden dit en dat.
  • Dit cadeau is heel mooi. 
  • Dat cadeau is heel mooi. Zij zullen wel blij zijn met dit
  • Het cadeau dat zij gisteren gekregen hebben.



Slide 14 - Tekstslide

  • Namen van landen, provincies, steden en clubs 
  • Verkleinwoorden
Onzijdige woorden - Het-woorden 

Slide 15 - Tekstslide

Een-woorden
Wanneer het lidwoord een gebruikt wordt, dan kan je zien of het een de of het woord is door er een bijvoeglijk naamwoord tussen te plaatsen.
Dat doe je zo:
Een mooie dag --> er staat een e achter het bn --> de
Een mooi cadeau --> er staan geen e achter het bn --> het

Slide 16 - Tekstslide

Ezelsbruggetje


Deze en die gebruik je bij de-woorden
Dit en dat gebruik je bij het-woorden



Slide 17 - Tekstslide

Het verwijswoord hen gebruik je als lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz). 
Het verwijswoord hun gebruik je als meewerkend voorwerp (mv).

Anja noteert hen op de lijst. (NIET: Anja noteert hun op de lijst.)
Anja noteert hun gegevens op de lijst. (NIET: Anja noteert hen gegevens op de lijst.)
Is deze auto van hen of van jullie? (NIET: Is deze auto van hun of van jullie?)
Is deze auto van hun vader of van jullie vader? (NIET: Is deze auto van hen vader of van jullie vader?)
Verwijswoorden - hen/hun

Slide 18 - Tekstslide

Onjuist verwijzen 
Dat: het-woord
  • Dat lekkere brood van de bakker. (NIET: Die lekkere brood van de bakker)
Wat: overtreffende trap, onbepaald voornaamwoord, hele zin of een deel van een zin 
  • Het beste wat mij ooit overkomen is. (NIET: Het beste dat mij ooit overkomen is.

Aan wie: personen 
  • De leerlingen van 3H1 aan wie ik Nederlandse les geef. (NIET: De leerlingen van 3H1 waaraan ik Nederlandse les geef.)
Waaraan: zaken + dingen 
  • De opdrachten waaraan wij gewerkt hebben. (NIET: De opdrachten aan wie wij gewerkt hebben.

Wat: verwijst naar dat en datgene, een onbepaald voornaamwoord (alles, iets, niets en het enige), een overtreffende trap (het beste) en een hele zin
  • Er stond een lange file voor de brug, wat behoorlijk tegenviel. (NIET: Er stond een lange file voor de brug, dat behoorlijk tegenviel.

Slide 19 - Tekstslide

Naar dieren en dingen verwijs je met daar/waar+voorzetsel (daarvan, waarover) 
  • Het paard waarover gesproken werd, is het paard van Sinterklaas. (NIET: Het paard waarvan gesproken werd, is het paard van Sinterklaas.)

Naar mensen verwijs je met voorzetsel+wie (van wie, over wie)
  • De SRV-man bij wie ik wekelijks boodschappen doe, beschikt over een luxe wagen, waarmee hij door het dorp rijdt. (NIET: De SRV-man bij wie ik wekelijks boodschappen doe, beschikt over een luxe wagen, met wie hij door het dorp rijdt.)
Verwijswoorden - dieren/mensen

Slide 20 - Tekstslide

Fout: De koninklijke familie dankt zijn status aan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands.
--> Het woord familie is vrouwelijk, dus zijn moet haar zijn.

Goed: De koninklijke familie dankt zijn status aan Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands.
Fouten met verwijswoorden

Slide 21 - Tekstslide

Fout: Veel Amerikanen weten niet dat New York vroeger Nieuw Amsterdam heette, maar daar kun je hen niet de schuld van geven als ze er op school niets over geleerd hebben.
--> Na een voorzetsel en als lijdend voorwerp gebruik je hen, maar als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel gebruik je hun: hen moet hun zijn.

Goed: Veel Amerikanen weten niet dat New York vroeger Nieuw Amsterdam heette, daar kun je hen niet de schuld van geven als ze er op school niets over geleerd hebben.
Fouten met verwijswoorden

Slide 22 - Tekstslide

Fout: Finland staat al jaren bekend om haar uitstekende onderwijsresultaten.
--> Namen van landen, provincies, steden en clubs en ook verkleinwoorden zijn het-woorden, waarnaar je verwijst met het en zijn: haar moet zijn zijn.

Goed: Finland staat al jaren bekend om zijn uitstekende onderwijsresultaten.

Fouten met verwijswoorden

Slide 23 - Tekstslide

Fout: Onze zeehelden, waarnaar in veel steden straten zijn vernoemd, waren geen lieverdjes.
--> Naar dieren en dingen verwijs je met waar+voorzetsel (waarover, waarvoor enz.), maar naar mensen met voorzetsel + wie (over wie, voor wie enz.), dus waarnaar moet naar wie zijn.

Goed: Onze zeehelden, naar wie in veel steden straten zijn 
vernoemd, waren geen lieverdjes.

Fouten met verwijswoorden

Slide 24 - Tekstslide

Fout: Het mooiste dat ik ooit voor mijn verjaardag heb gekregen, is een gouden armband.
--> Het verwijswoord wat gebruik je om te verwijzen naar een overtreffende trap: mooiste is een overtreffende trap, dus dat moet wat zijn.
Goed: Het mooiste wat ik ooit voor mijn verjaardag heb gekregen, is een gouden armband.
Fouten met verwijswoorden

Slide 25 - Tekstslide

Fouten met verwijswoorden
1. Onjuist verwijzen
Je gebruikt het verkeerde verwijswoord om naar een ander woord (of een woordgroep) in de zin te verwijzen --> het antecedent 

2. Onduidelijk verwijzen
Het gebruikte verwijswoord kan naar meerdere woorden of woordgroepen in de zin verwijzen of het verwijswoord verwijst naar iets wat niet in de tekst staat.

Slide 26 - Tekstslide

Onduidelijk verwijzen 
Soms wijst een verwijswoord terug naar iets wat niet in de tekst staat. De zin is dan incorrect. 
Soms ontstaat onduidelijkheid doordat er meer dan één antecedent mogelijk is. 

  • Er is een groot tekort aan donororganen, terwijl iedereen het kan doen. 
--> het = organen doneren en niet donororganen



Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Slide 29 - Video

Werk voor tijdens de les en huiswerk voor maandag
H2, formulering, blz. 64/65, opdracht 3
H3, formuleren, blz. 96/97, startopdracht + opdracht 1, 2, 3 
+nakijken en verbeteren met een andere kleur --> stel vragen over opdrachten tijdens de volgende les

Wat niet af is  = huiswerk!
timer
10:00

Slide 30 - Tekstslide

Aan het einde van deze les kan fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren.
😒🙁😐🙂😃

Slide 31 - Poll

Lesdoel

Aan het einde van deze les kan ik fouten met verwijswoorden herkennen en verbeteren.



Slide 32 - Tekstslide

Reflectie:
Wat ging bij jou goed tijdens deze les?
Wat kan nog iets beter?

Slide 33 - Open vraag

Feedback:
Wat vond je fijn/goed aan deze les?
Wat zou je liever anders willen zien?

Slide 34 - Open vraag