WEBB 27.1 + 27.2

Welkom
5 havo BEDRIJFSECONOMIE||  2022-2023
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom
5 havo BEDRIJFSECONOMIE||  2022-2023

Slide 1 - Tekstslide

Programma

  • Lesdoelen
  • Theorie
  • Aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt het onderscheid beschrijven tussen variabele en constante kosten
  • Je kunt voorbeelden geven van variabele en constante kosten
  • Je kunt de break-evenafzet en -omzet berekenen op 3 manieren

Slide 3 - Tekstslide

Kosten
  • Constante kosten: veranderen niet wanneer de productie wijzigt
  • Voorbeelden?  
  • Huur, verzekeringen, afschrijvingen
  • Loonkosten? 
  • Vaak gedeeltelijk constant en gedeeltelijk variabel in opgaven (goed lezen!) 

Slide 4 - Tekstslide

Constante kosten
  • Constante kosten: waardoor kunnen deze toch hoger uitvallen? 
  • Wijziging kosten: bijvoorbeeld huurverhoging 
  • Uitbreiding productiecapaciteit

Slide 5 - Tekstslide

Capaciteit 
= het maximale aantal goederen of diensten dat een bedrijf kan verkopen, of het maximale aantal producten dat gemaakt kan worden.

Uitbreiding v.d. capaciteit -->  stijging van de Constante Kstn.
Bijv. één machine of vrachtwagen erbij.

Constante kosten kunnen ook veranderen 
door prijsstijgingen of -dalingen.

Slide 6 - Tekstslide

Constante kosten: wijziging productiecapaciteit
Break-evenafzet opnieuw berekenen; is investering zinvol?

Slide 7 - Tekstslide

Variabele kosten
  • Variabele kosten: veranderen wanneer de productie wijzigt
  • Proportioneel variabel: voor ieder product extra komt er een gelijk bedrag aan kosten bij 
  • Voorbeelden: inkoopwaarde, loonkosten bijv. bij betaling per stuk, verzendkosten

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Opgave 27.1
  • TK = TCK + TVK 
  • = 300.000 + 125.000 x (180.000/120.000) = € 487.500

Slide 10 - Tekstslide

Opgave 27.2
  • TK = TCK + TVK 
  • = 350.000 + 100.000 + 25.000 x (240.000/20.000) =
    € 750.000

Slide 11 - Tekstslide

Opgave 27.3 maken
timer
4:00

Slide 12 - Tekstslide

Opgave 27.3
  • a) (450.000 - 90.000)/90.000 = € 4
  • b) 90.000 + 80.000 x 4 = € 410.000
  • c) 90.000 + 110.000 x 4 = € 530.000

Slide 13 - Tekstslide

Aan de slag!
27.1 t/m 27.4

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

1 - TO = TK
TO = TK 
TO = TCK + TVK 

Slide 16 - Tekstslide

Break-evenafzet
Bij de break-evenafzet zijn de opbrengsten en kosten van de onderneming aan elkaar gelijk; er is geen winst of verlies. 

1. Economie: TO = TK
2. Schema brutowinst
3. Beco: dekkingsbijdrage

Slide 17 - Tekstslide

2 - schema

Slide 18 - Tekstslide

Break-evenanalyse
Breakeven afzet (BEA): de afzet waarbij geen winst of verlies wordt gemaakt, oftewel:  de winst = €0,-
Breakeven omzet (BEO) = Breakeven afzet x verkoopprijs

Dekkingsbijdrage (per product) = Verkoopprijs - Variabele kosten
Deze dekkingsbijdrage (DB) moet de totale constante kosten dekken.

Voorbeeld: verkoopprijs is €15, variabele kosten is €6, constante kstn zijn €120.000. 
Wat is de breakeven afzet?
DB per stuk = €15 - €6 = €9  Deze moet de CK dekken: €120.000 / €9,- = 13.333,3 -> 13.334 stuks

Slide 19 - Tekstslide

Van een eenmanszaak is het volgende gegeven:
Verkoopprijs: € 250,-
Variabele kosten per product: € 100,-
Constante bedrijfskosten: € 225.000
Bereken de break-even omzet.

Slide 20 - Open vraag

Van een vof is het volgende gegeven:
Variabele kosten per product: € 120
Totale constante kosten: € 10.800
De break-even afzet is gelijk aan 60 stuks
Bereken de verkoopprijs die bij de break-even afzet wordt bereikt.

Slide 21 - Open vraag

TO = 4q
TK = 2q + 500
de break-even-afzet is:
A
500
B
250
C
2
D
0,5

Slide 22 - Quizvraag

TK = 0,1Q + 11.000
TO = 1,5Q
Wat is de break-even afzet?
A
7587 producten
B
5778 producten
C
7857 producten
D
8775 producten

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de break-even afzet?
A
4.000.000
B
50.000
C
2.500.000
D
5.000.000

Slide 24 - Quizvraag

Formule BEA:    C / (p-v)         =         C / dekkingsbijdrage per stuk
C= totale constante kosten, p = verkoopprijs per stuk, 
v = variabele kosten per stuk
of:
BEA is TO = TK (de hoeveelheid waarbij TO=TK)
TO = p x Q   en   TK = (v x Q) + C

of:  met behulp van: 


Omzet
- Variabele kosten
= Dekkingsbijdrage
- Constante kosten
= Nettowinst
Omzet
- inkoopwaarde omzet
= brutowinst
- overige variabele kosten
Dekkingsbijdrage
- Constante kosten        
= Nettowinst

Slide 25 - Tekstslide

3. Dekkingsbijdrage
een andere manier van de break-even analyse 

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Een fabrikant heeft op een scheerapparaat een verkoopprijs (p) van €100. Zijn variabele kosten per stuk (v) zijn €30. Wat is zijn dekkingsbijdrage (DB)?
A
€100+€30=130
B
€100-€30=€70
C
€100 x €30 = €3.000
D
€100 / €30 = €3,33

Slide 30 - Quizvraag

Een fabrikant heeft op een boormachine een verkoopprijs (p) van €250. Zijn variabele kosten per stuk (v) zijn €30. Zijn constante kosten per product (c) zijn €20. Wat is zijn dekkingsbijdrage?
A
€250 - €20 = €230
B
€250 + €20 = €270
C
€250 - €30 = €220
D
€250 + €30 = €280

Slide 31 - Quizvraag

Joost verkoopt voetballen voor EUR 35. Zijn variabele kosten zijn EUR 25 per stuk en zijn totale constante kosten zijn EUR 1.200.
Wat is de dekkingsbijdrage
A
p- v = 35 - 25 = 10
B
p = 35
C
p-v = 35 - 1.200
D
kun je niet uitrekenen

Slide 32 - Quizvraag

Ik verkoop een product voor € 5,-. De inkoopprijs van de product is € 2,50. De constante kosten zijn € 750. Wat is de dekkingsbijdragen?
A
€ 750
B
€ 5,-
C
€ 2,50
D
€ 7,50

Slide 33 - Quizvraag

Opgave 27.5 maken
timer
4:00

Slide 34 - Tekstslide

Opgave 27.5 A

Slide 35 - Tekstslide

Opgave 27.5 A

Slide 36 - Tekstslide

Opgave 27.5 B

Slide 37 - Tekstslide

Opgave 27.5 B + C
c) € 11.500 - € 5.000 = € 6.500 negatief

Slide 38 - Tekstslide

Opgave 27.5 D
  1. 63.250 - 57.500 = € 5.750 hoger (positief) 
  2. gelijk
  3. 30.250 - 20.000 - € 10.250 hoger door hogere afzet én hogere variabele kosten per product (€ 5,50 werkelijk, begroot = 20.000/5.000 = € 4)
  4. 28.000 - 26.000 = 2.000 hoger (negatief)

Slide 39 - Tekstslide

Aan de slag!
27.6 t/m 27.11

Slide 40 - Tekstslide