Clase 4_P2 3HV Repetir y repetir otra vez...

¡Bienvenidos a tu clase de español!
19
Hoy es miércoles, 
el 14 de diciembre de 2022
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos a tu clase de español!
19
Hoy es miércoles, 
el 14 de diciembre de 2022

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prepárate para esta clase:
Maak je klaar voor deze les...
timer
1:00
¡Importante!
Tu portátil está cerrado;     
  • Je laptop is dicht.

Tu móvil está en tu casillero o en tu mochila; ¡ Tu móvil NO está en tu bolsillo!
  •  Je mobiel is in je kluisje of in je (rug)tas... Je mobiel is niet in je broekzak!

Tienes tu cuaderno, portátil y bolígrafo;
  • Je schrift, laptop en pen heb je bij je.

¡Haz caso y guarda el silencio!: 
  • Let op! Oren open en wees stil!

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

El programa de hoy

1) Voorbereiden voca + werkwoorden mbv werkboek (10m) 

2) Voca  (quizlet) en vertaal opdracht (25m)

3) ¡Por fin! Una canción :-) (20m)

Hoy es jueves, 
el 3 de diciembre de 2020

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los objetivos de esta clase
1. Es hora de REPETIR y REPETIR otra vez...
Jullie gaan in deze les nog eens flink oefenen met onregelmatige werkwoorden met klankverandering en andere zoals SER, ESTAR, TENER, GUSTAR, 

Ook oefen je met de futuro en andere regelmatige werkwoorden (-AR,-ER, -IR). 
Dit zijn onderdelen voor het SO. 

2. Ook oefenen je weer met vocabulario van 6.1 t/m 6.3 + werkwoorden 25-50


De doelen voor deze les

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels in het Spaans

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'El lunes voy ___ hospital ___ autobús ___ mi hermano.'
A
a, con, para
B
de, en, de
C
al, en, de
D
al, en, con

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'___ las noches trabajo ___ un restaurante.'
A
Para, en
B
A, de
C
Por, a
D
Por, en

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'Soy ___ Amsterdam, pero vivo ___ Utrecht ___ mi novio.'
A
a, en, para
B
de, en, con
C
en, de, con
D
por, a, con

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'Voy a viajar ___ Europa ___ conocer más del mundo.'
A
por, a
B
de, para
C
de, a
D
por, para

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

1 Yo (pensar -ie) mucho en ti.
2 Ella (comenzar- ie) su clase a las ocho y veinte.
3 ¿Vosotros (entender-ie) esta tarea?
4 Tú siempre (perder-ie) ese libro. de matemáticas
5 Nosotros (venir-ie) de Uithoorn y ellas ( volver)-ue de Ámsterdam.
6 Yo no (conocer) a ese tío; yo (preferir-ie) trabajar solo.
7 Ya yo (saber); yo (volver)-ue más tarde porque ella (dormir-ue) ahora.
VERVOEG HET ONREGELMATIGE WERKWOORD TUSSEN DE HAAKJES

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vervoeg in de volgende zinnen met 
onregelmatige werkwoorden. 
  1. Mi madre ______ la abuela de cinco nietos 
  2. Uithoorn y de Kwakel ______ cerca de Aalsmeer
  3. Estos zapatos ______  muy caros
  4. En mi pueblo no_______ un banco
  5. Paco y José ______ en Madrid
  6. Los padres de María_________ de Colombia
  7. En la casa de mis abuelos ______ un reloj antiguo
  8. ¿Cómo _______ vosotras? Pues, ahora nosotras________muy cansadas

  1. Hoy me (decir, tú) que sí,y mañana que no. ¿Qué (querer(ie) tú?
  2. A mí (gustar) churros con chocolate.
  3. Papá (comprar) dos billetes para el tren a Toledo, yo (pedir(i) 2 cafés
  4. ¿Usted (poder(ue) cerrar la ventana, por favor? (hacer) mucho frío...
  5. ¿A qué hora (cerrar(ie) este almacén?
  6. Ellos (tener(ie) mucha sed. ¿(querer(ie) beber agua o (preferir(ie) beber té?
  7. El fin de semana yo (acostarse(ue) muy tarde y también (levantarse) muy tarde
  8. ¿Vosotros (querer(ie) comer un pastel de chocolate? Yo os (ofrecer) una pieza.
Opdracht zonder chromebook!

1. Je werkt STIL en alleen
2.Je schrijft de zinnen helemaal op. Doe dat achterin je schrift
3. Gebruik je werkboek en evt. een woordenboek  bij deze opdracht
TIJD: 25 min.
timer
1:00

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervoeg in de volgende zinnen de werkwoorden 
(ser, estar, hay gustar tener en -se)
  1. Mi madre ES la abuela de cinco nietos
  2. Uithoorn y de Kwakel ESTÁN cerca de Aalsmeer
  3. Estos zapatos SON muy caros
  4. En mi pueblo no HAY un banco
  5. Paco y José ESTÁN en Madrid
  6. Los padres de María SON de Colombia
  7. En la casa de mis abuelos HAY un reloj antiguo
  8. ¿Cómo ESTÁIS vosotras? Pues, ahora nosotras ESTAMOS muy cansadas

  1. Hoy me DICES que sí, y mañana que no. ¿Qué QUIERES tú?
  2. A mí ME GUSTAN los churros con chocolate.
  3. Papá COMPRA dos billetes para el tren a Toledo, yo PIDO dos cafés
  4. ¿Usted PUEDE cerrar la ventana?HACE mucho frío
  5. ¿A qué hora CIERRA este almacén?
  6. Ellos TIENEN mucha sed. ¿QUIEREN beber agua o PREFIEREN beber té?
  7. El fin de semana yo ME ACUESTO muy tarde y también ME LEVANTO muy tarde
  8. ¿Vosotros QUERÉIS comer un pastel de chocolate? Yo os OFREZCO una pieza.
Opdracht zonder chromebook!

1. Je werkt STIL en alleen
2.Je schrijft de zinnen helemaal op. Doe dat achterin je schrift
3. Gebruik je werkboek en evt. een woordenboek  bij deze opdracht
TIJD: 25 min.
timer
1:00

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden oefenen met Verbuga; 
Regelmatig
Actuar
Andar
Bailar
Buscar
Comer
Cortar
Creer
Enviar
Estudiar
Explicar
Hablar
Leer


Lavarse
Llamarse
Levantarse
Pagar
Peinarse
Repetir
Utilizar
Vivir

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden oefenen met Verbuga; 
Onregelmatig
Acostarse (ue)
Agradecer (1e)
Almorzar (ue)
Arrepentirse (ie)
Caer (1e)
Cerrar (ie)
Coger (1e)
Colgar (1e)
Comenzar (ie)
Conducir (1e) Conocer (1e)
Construir (1e)


Contar (ue)
corregir (1e) costar (ue)
Dar (1e)
Decir (i)
Defender (ie)
Despedirse (i)
Distinguir (1e)
Doler (ue)
Dormir (ue)
Elegir (1e)
Empezar (ie)
Encender (ie)
Encontrar (ue)
Estar (1e)
Hacer (1e)
Incluir (1e)
Ir (volledig)
Jugar (u-ue)
Medir (i)
Mentir (ie)
Merendar (ie)
Nacer (1e)
Ofrecer (1e)
Oír (volledig)
Parecer (1e)
Pedir (i)
Perder (ie)
Poder (ue)
Probar (ue)
Querer (ie)
Recordar (ue)
Preferir (ie)
Reír (i)
saber (1e)
Salir (1e)

Seguir (i)
Sentarse (ie)
Seguir (i)
Sentirse (ie)
ser (volledig)
servir (i)
soñar (ue)
tener (ie)
traducir (1e)
venir (1e)
vestirse (i)
volver (ue)

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

levantarse
mirar
dormir (ue)
entender (ie)
empezar (ie)
oír
terminar
salir
abrír
escribir
kijken
schrijven
beginnen
horen
slapen
opstaan
eindigen
begrijpen
uitgaan
openen

Slide 16 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

preferir (ie)
volver (ue)
sentir (ie)
perder (ie)
cerrar (ie)
pensar (ie)
conocer
saber
abrír
recordar (ue) 
liever willen
zich herinneren
sluiten
denken
voelen
terugkomen
kennen
verliezen
weten
openen

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vocabulario 6.1 - 6.2
1 llevar 2 la instrucción 3 traer 4 es una lástima
5 mira 6 quedar 7 nadar 8 olvidar 9 nos reunimos
timer
4:00
zet geen punten slashes of komma's in je antwoord, alleen spaties.

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Voca. 6.3
1 si te atreves 2 el alojamiento 3 la ola 4 el corazón
5 empezar 6 bailar 7 esta noche 8 el /la mejor 9 inolvidable

timer
4:00

zet geen punten slashes of komma's in je antwoord, alleen spaties

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling: aanwijzende voornaamwoorden
Aquí = hier, bij mij (deze, dit) / Ahí = daar, bij jou (die, dat) / Allí = daarginds, in de verte (die, dat)
  1. Aquí hay un libro. ¿Cómo se llama ___ libro?
  2. Allí hay un árbol. ¿Qué tan grande es ___ árbol?
  3. Ahí hay un papel. ¿Quieres usar ___ papel? 
  4. Allí hay una casa. ¿Te gusta ___ casa?
  5. Ahí hay unos pantalones. ¿Cuánto cuestan ___ pantalones? 
  6. Aquí hay una pluma. ¿Es ___ pluma tuya? 
  7. ___ está muy rico. 
  8. Ahí caminan unas niñas. ¿Cómo se llaman ___ niñas?
  9. ___ (Esta/ésta) silla es muy cómoda, pero ___ (esta/ésta) es más moderna. 
  10. Quiero otro calcetín, ___ (este/ésto/éste) está roto. 

timer
10:00

Slide 20 - Tekstslide

Zelfstandig gebruik van het aanwijzend voornaamwoord: 
  • slaat het niet op een zelfstandig naamwoord? esto/eso/aquello
  • slaat het wél op een zelfstandig naamwoord? dan komt er een accent
Herhaling: aanwijzende voornaamwoorden

  1. Aquí hay un libro. ¿Cómo se llama ESTE libro?
  2. Allí hay un árbol. ¿Qué tan grande es AQUEL árbol?
  3. Ahí hay un papel. ¿Quieres usar ESE papel? 
  4. Allí hay una casa. ¿Te gusta AQUELLA casa?
  5. Ahí hay unos pantalones. ¿Cuánto cuestan ESOS pantalones? 
  6. Aquí hay una pluma. ¿Es ESTA pluma tuya? 
  7. ESTO está muy rico. 
  8. Ahí caminan unas niñas. ¿Cómo se llaman ESAS niñas?
  9. ESTA silla es muy cómoda, pero ÉSTA es más moderna. 
  10. Quiero otro calcetín, ÉSTE está roto. 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal de volgende zinnen en vervoeg de werkwoorden. Let op de klankveranderingen en uitzonderingen!
  1. Jij sluit het raam voor de leraar
  2. Deze woensdag spelen we voetbal met de jongens
  3.  Ik ken veel Spaanse woorden
  4. Hij begrijpt het Spaanse meisje niet
  5. Ik ga om half één naar bed
  6. Jullie hebben liever een appeltaart dan een broodje ham
  7. Wij bestellen een kip in het restaurant
  8. Jij vindt een mobiel op het toilet
  9. Hij denkt aan zijn oma
  10. Zij herinnert zich die* dag in zee met hem    *) daarginds
  11. Zij volgen mijn zus op Instagram
  12. Die baby is 1 jaar oud. Zij slaapt nog
  13. Kennen jullie mijn vriend Enrique uit Mexico?
  14.  Jullie vertalen deze opdracht
  15.  Jouw vader rijdt zijn nieuwe auto.
  16. Om kwart over acht ga ik van (verlaat ik) huis
  17. Kunnen jullie de leraar volgen?
  18. Zij willen naar huis gaan.
Opdracht zonder chromebook!

1. Je werkt STIL en alleen
2.Je schrijft de zinnen in je schrift.
3. Je mag je werkboekje en evt. een woordenboek gebruiken
TIJD: 20 min.
timer
1:00

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal de volgende zinnen en vervoeg de werkwoorden. Let op de klankveranderingen en uitzonderingen!
  1. Cierras la ventana para el profesor
  2. Este miércoles jugamos al fútbol con los chicos
  3. Conozco muchas palabras españolas
  4. Él no entiende la chica española
  5. Me acuesto a las doce y media
  6. Preferís una tarta de manzana que un bocadillo de jamón
  7. Nosotros pedimos un pollo en el restaurante
  8. Encuentras un móvil en el (cuarto de) baño
  9. Piensa en su abuela
  10. Recuerda aquel día en el mar con él
  11. Ellos siguen mi hermana en Instagram
  12. Ese bebé tiene un año. ella duerme todavía
  13. ¿Conocéis a mi amigo Enrique de México? 
  14.  Traducís esta tarea / este ejercicio
  15.  Tu padre conduce su coche nuevo.
  16. A las ocho y cuarto salgo de casa
  17. ¿Podéis seguir el profesor?
  18. Ellos quieren ir a casa
Opdracht zonder chromebook!

1. Je werkt STIL en alleen
2.Je schrijft de zinnen in je schrift.
3. Je mag je werkboekje en evt. een woordenboek gebruiken.
TIJD: 20 min.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Video

Deze slide heeft geen instructies

APRENDE (LEER):  
VOCA 6.1 t/m 6.3 ( NL> ESP)
+ roze werkwoordenblad 25 t/m 35
+
begin met het leren vd stof voor het SO. 
>>>>Werkwoorden!!!!<<<<
 gebruik Quizlet en Verbuga

Los deberes para la próxima clase
(het huiswerk voor de volgende les...)
¡Mucha suerte!; veel succes!

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

y... ¿Qué has aprendido hoy?
¿Hay preguntas? (zijn er vragen?)

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies