6.2 Populaties

6.2 Populaties
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

6.2 Populaties

Slide 1 - Tekstslide

Soort
Een groep organismen die genetisch zoveel op elkaar lijken, dat ze onderling kunnen paren en vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. 

Populatie
Alle individuen van een bepaalde soort binnen een bepaald gebied. 
Meestal vindt de voortplanting plaats met individuen binnen de populatie. Voorbeelden: de populatie reeën op de Veluwe, de populatie regenwormen in een grasveld

Populatiegrootte
Het aantal individuen waaruit een populatie bestaat. De populatiegrootte is te bepalen aan de hand van cijfers voor geboorte, sterfte, immigratie en emigratie.

Populatiedichtheid
Het aantal individuen van een bepaalde soort per oppervlakte- of volume-eenheid.






Slide 2 - Tekstslide

Abiotische factoren
niet-levende factoren
  • water
  • wind
  • bodem
  • temperatuur
  • CO2
  • pH


Biotische factoren
levende organismen
  • populaties
  • individuen






Slide 3 - Tekstslide

Populatiegrootte bepalen via de methode
vangen-merken-terugvangen

(vangst-terugvangst methode)

Slide 4 - Tekstslide


Hoe zou een populatiegrootte 
NIET drastisch kunnen variëren?
A
door abiotische en biotische factoren
B
emigratie en immigratie
C
als er voldoende voedsel is en er zijn natuurlijke vijanden
D
sterfte en geboorte

Slide 5 - Quizvraag

Vangst-terugvangst methode gebruik je bij schatting populatiegrootte wanneer:

  • dieren vaak van plaats veranderen

  • schuwe dieren

  • nachtdieren

Slide 6 - Tekstslide

1e vangst: aantal gevangen dieren merken en weer vrijlaten

2e vangst: percentage gemerkte dieren berekenen = x%

1e vangst was ook x% van de totale populatie

en zo kun je de totale populatie berekenen

Slide 7 - Tekstslide

YX=MG
X = onbekende populatiegrootte
Y = aantal gemerkte dieren (1e vangst)
G= aantal dieren van de 2e vangst
M= aantal gemerkte dieren van G

Slide 8 - Tekstslide

In een bepaald gebied vang je 20 bosmuizen en die merk je. Je laat ze weer vrij en vervolgens  vang je de 2e keer 18 bosmuizen waarvan er 2 gemerkt zijn.

Hoe groot is de populatie bosmuizen?

Slide 9 - Tekstslide

In een bepaald gebied vang je 20 bosmuizen en die merk je. Je laat ze weer vrij en vervolgens  vang je de 2e keer 18 bosmuizen waarvan er 2 gemerkt zijn.

Hoe groot is de populatie bosmuizen?
X/Y = G/M
X/20 = 18/2
2X = 20 x 18 = 360
X = 360/2 = 180

Slide 10 - Tekstslide

Om het aantal dassen in een bepaald gebied te bepalen, merken biologen 16 dassen en laten ze weer los. Na korte tijd vangen ze 21 dassen, waarvan er 8 gemerkt zijn.
Bereken de populatiegrootte.
A
38
B
42
C
54
D
63

Slide 11 - Quizvraag

Dassen die al een keer gevangen zijn, vermijden het gebied met de vallen. Daardoor schatten biologen de populatiegrootte te hoog of te laag.
Wat denk jij? Te hoog of te laag?

Slide 12 - Open vraag

X/Y = G/M

Dassen die al een keer gevangen zijn, laten zich minder snel nog een keer vangen. Dus M van G wordt daardoor kleiner dan het in werkelijkheid zou zijn. 
Als M kleiner is wordt X groter.
Dus is X eigenlijk te hoog.

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Maatregelen om een dassenpopulatie in een gebied gezond te houden zijn:
1- De leefgebieden van andere populaties verbinden met dit gebied.
2- Dassen uit een andere populatie naar het gebied brengen.
3- Wegen die door het gebied gaan afsluiten voor verkeer.
4- De dieren in strenge winters bijvoeren.
5- Tunnels onder wegen door aanleggen.
Welke van deze maatregelen kan of kunnen ontsnipperend werken?
A
alleen 1
B
alleen 2
C
alleen 1, 3 en 5
D
alleen 2 en 4

Slide 19 - Quizvraag

Slide 20 - Video

HUISWERK 
6.2: maak 2 t/m 5
Ga oefenen via biologiepagina.nl

Slide 21 - Tekstslide