les 9 Bestaansmiddelen

Bestaansmiddelen
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Bestaansmiddelen

Slide 1 - Tekstslide

Wat doen deze mensen voor werk?

En: wáárom doen ze dat werk?

Slide 2 - Tekstslide

De meeste volwassen mensen doen werk om geld (inkomen) te verdienen. Daar leven ze van.

Manieren om een inkomen te krijgen, noemen we bestaansmiddelen.

Slide 3 - Tekstslide

Wat gaan we leren?
In dit hoofdstuk:
Over de verschillende sectoren waar mensen hun geld verdienen, en hoe die sectoren eruit zien.

Deze les:
- Je leert welke sectoren we kennen in banen
- Je leert welke drie productiemiddelen je nodig hebt om iets te maken.

Slide 4 - Tekstslide

De sectoren:
Primaire (eerste) sector.

Secundaire (tweede) sector.

Tertiaire (derde) sector.

Slide 5 - Tekstslide

Primaire (eerste) sector.
Hier worden producten uit de natuur gehaald. Landbouw, mijnen, enz.

Slide 6 - Tekstslide

Secundaire (tweede) sector.

Hier wordt iets met de producten gemaakt. Fabrieken, de bouw, enz.

Slide 7 - Tekstslide

Tertiaire (derde) sector.

Hier wordt een dienst verleend: Dokter, kassière enz.

Slide 8 - Tekstslide

quartaire sector.
Soms is dienstverlening niet bedoeld om winst te maken.
Je doet iets voor burgers (inwoners) van het land.

Voorbeelden zijn ziekenhuizen , verpleeghuizen , brandweer , justitie , defensie , sociaal werk , cultuursector , wetenschapssector en scholen

Slide 9 - Tekstslide

Volwassen mensen die werk doen of willen doen, noemen we de beroepsbevolking (de bevolking met/op zoek naar een beroep).

In Nederland werkt het grootste deel van de beroepsbevolking in de dienstverlening. Dat is vaak zo in rijke landen.

Slide 10 - Tekstslide

Een deel van de mensen is goederenproducten: zij maken iets.

Om iets te maken, heb je productiemiddelen nodig:
- Natuur
- Arbeid
- Kapitaal

Slide 11 - Tekstslide

Natuur: stoffen die je nodig hebt voor hetgeen dat je maakt (bv. hout).

Arbeid: het betaalde werk dat mensen doen.

Kapitaal: het geld, de gebouwen, machines enz. die je nodig hebt om het product te maken.

Slide 12 - Tekstslide

Producten maken
grondstof
halffabrikaat
eindproduct

Slide 13 - Tekstslide

TIJDLIJN globalisering
va. 1975:
Steeds meer multinationale ondernemingen (MNO's)
va. 1980:
1. Productie wordt verplaatst naar arme landen (nieuwe int. arbeidsverdeling)
2. Welvaart verschuift in wereldsysteem (meer welvaart naar semi-periferie)

1990:
Handelsbelemmeringen vallen weg:
- EU
- China en India openen grenzen
Steeds meer verbondenheid, door:
1. Transport
2. Communicatie

Slide 14 - Tekstslide

Ruimtelijke gevolgen
  1. Nieuwe internationale arbeidsverdeling
  2. Nieuwe afzetmarkten
  3. Van uitschuiven naar doorschuiven* ->
  4. Corebusiness voor MNO's -> onderaannemers
  5. Gebieden van elkaar afhankelijk (bv. olieprijzen Midden-Oosten)
  6. Verbrokkeling in de wereld: fast world/ slow world*
uitschuiven = een bedrijf verplaatst een deel van de productieketen of bedrijfsfuncties naar een land met lagere lonen
doorschuiven = dit proces wordt herhaald, waarbij een bedrijf continue op zoek blijft naar de makkelijkste productieomstandigheden

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Bestudeer deze kaart:
- Welk gegeven uit de kaart en legenda gebruik je om de triade te herkennen?
- Hoe is de binnen- en buitenlandse export verdeeld in de triade regio's?
- Hoe is de binnen- en buitenlandse export verdeeld in de 'slow world'?

Slide 19 - Tekstslide