Oefenen voor toetsweek + Hoofdstuk 4 - woordenschat (p 115)

Week 10 -  klas 2
Les 1: verder met woordenschat H4

Les 2: leren voor de toets

10 t/m 17 maart toetsweek
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Week 10 -  klas 2
Les 1: verder met woordenschat H4

Les 2: leren voor de toets

10 t/m 17 maart toetsweek

Slide 1 - Tekstslide

Start les 1: maak opdr. 3 (p. 115-116)
Lees de tekst "Wat is er mis met missverkiezingen?" en maak opdracht 3. Gebruik zo nodig een (online) woordenboek. Je hebt 25 minuten, daarna gaan we nakijken. Nb. bij vraag 1 hoef je niet per se de woorden over te schrijven, je mag ook alleen de nummers opschrijven. Succes!!!
timer
25:00

Slide 2 - Tekstslide

Antwoorden opdr. 3 (p.115-116)
1
  • 1 bizar=  heel vreemd; wonderlijk 
  • 2 cosmetische =verfraaiende; op schoonheid gerichte
  • 3 maakbaar=  wat door een mens gemaakt kan worden
  • 4 zwichtte=  gaf toe 
  • 5 evenwel=  echter; maar
  • 6 detail=  bijzonderheid 
  • 7 controverses= grote meningsverschillen; strijdpunten 
  • 8 milieubewuste= rekening houdend met het milieu 
  • 9 steggelen=  ruziën 
  • 10 status=  officiële positie of toestand 


Slide 3 - Tekstslide

Antwoorden opdr. 3 (p.115-116)
  • 11 bakzeil halen= terugkrabbelen
  • 12 emancipatie= toekenning van rechten aan personen die gediscrimineerd worden 
  • 13 degradeert=  verlaagt tot 
  • 14 lustobjecten= iets wat (wel)lust opwekt 
  • 15 te elfder ure =op het laatste moment 
  • 16 concessies= (gedeeltelijke) toegevingen; maatregelen om mensen gunstig te stemmen 
  • 17 bejegenen=  zich gedragen tegenover; omgaan met 
  • 18 alternatieven =andere oplossingen; andere mogelijkheden
  • 19 conditie =voorwaarde 
  • 20 instandhouding= behoud 
  • 21 populatie= verzameling; hoeveelheid van een soort in een bepaald gebied 





Slide 4 - Tekstslide

Antwoorden opdr. 3 (p.115-116)

Slide 5 - Tekstslide

1. "want" is een signaalwoord voor een....
A
conclusie
B
reden
C
toegeving
D
voorwaarde

Slide 6 - Quizvraag

2. "indien" is een signaalwoord voor een....
A
conclusie
B
reden
C
toegeving
D
voorwaarde

Slide 7 - Quizvraag

3. "dus" is een signaalwoord voor een....
A
conclusie
B
reden
C
toegeving
D
voorwaarde

Slide 8 - Quizvraag

4. "namelijk" is een signaalwoord voor een....
A
conclusie
B
reden
C
toegeving
D
voorwaarde

Slide 9 - Quizvraag

5. "hoewel" is een signaalwoord voor een....
A
conclusie
B
reden
C
toegeving
D
voorwaarde

Slide 10 - Quizvraag

6. Welke acht andere verbanden heb je geleerd? Noteer er zoveel als je weet.

Slide 11 - Open vraag

7. Welke tekstdoelen ken je?

Slide 12 - Woordweb

Antwoord op 7
amuseren, informeren, overtuigen, activeren



Slide 13 - Tekstslide