Reizen met het openbaar vervoer
Reizen met het openbaar vervoer
Deze slide heeft geen instructies
Leerdoel
Ik kan uitleggen wat openbaar vervoer is, welke vormen van openbaar vervoer er in Nederland zijn en hoe je ervoor betaalt met een OV-chipkaart of betaalpas.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden passen volgens jou bij openbaar vervoer?
Gebruik de reacties om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: bus, trein, tram, metro, reizen, kaart, station, halte, inchecken.
Wat is openbaar vervoer?
Openbaar vervoer is vervoer voor veel reizigers tegelijk.
Je reist van de ene plek naar de andere.
Reizigers betalen voor de rit.
De overheid betaalt ook mee aan het systeem.
Benadruk dat openbaar vervoer niet hetzelfde is als privévervoer, zoals een eigen fiets, scooter of auto. Het gaat om vervoer dat voor iedereen toegankelijk is en volgens vaste regels rijdt.
Waarom bestaat openbaar vervoer?
Het helpt mensen om naar school, werk of de stad te reizen
Veel mensen kunnen tegelijk worden vervoerd
Niet iedereen heeft een auto of fiets voor lange afstanden
Het verbindt dorpen, steden en wijken met elkaar
Deze slide heeft geen instructies
Wie betaalt het openbaar vervoer?
Openbaar vervoer wordt op twee manieren betaald:
Reizigers betalen voor hun reis met een kaart of betaalpas. Daarnaast betaalt de overheid mee, zodat het systeem kan blijven rijden en bereikbaar blijft.
Leg eenvoudig uit dat kaartjes alleen vaak niet genoeg zijn om alle kosten te betalen, zoals voertuigen, personeel en onderhoud.
Openbaar vervoer is een systeem
voertuigen zoals bus, trein, tram en metro
haltes en stations
regels voor betalen en reizen
samenwerking tussen reiziger, vervoerder en overheid
Deze slide heeft geen instructies
Wie betalen samen het openbaar vervoer?
Alleen de overheid
Reizigers en overheid
Alleen reizigers
Winkels en scholen
Toetst het kernidee uit slides 2-5: reizigers betalen voor de rit en de overheid betaalt mee aan het systeem.
Maak de tekst compleet
Openbaar vervoer brengt reizigers van de ene plek naar de . Reizigers betalen voor hun , maar de betaalt ook mee. Zo blijft het systeem bereikbaar voor veel .
Correcte invulling: andere, reis, overheid, mensen.
De bus
Rijdt op de weg
Stopt bij bushaltes
Handig voor korte en middellange afstanden
Komt veel voor in steden en dorpen
Deze slide heeft geen instructies
De trein
Rijdt over het spoor
Vertrekt vanaf stations
Geschikt voor grotere afstanden
Verbindt steden en regio’s met elkaar
Deze slide heeft geen instructies
De tram
Rijdt meestal in de stad
Gaat over rails in of langs de straat
Stopt vaak onderweg
Handig voor reizen binnen de stad
Deze slide heeft geen instructies
De metro
Rijdt vooral in grote steden
Gaat snel van wijk naar wijk
Heeft eigen banen of tunnels
Stopt bij metrostations
Noem eventueel dat metro’s in Nederland vooral voorkomen in en rond de grootste steden. Houd het onderscheid met tram simpel: metro rijdt meer afgescheiden van ander verkeer.
Vier hoofdvormen in Nederland
In Nederland zijn dit de vier hoofdvormen van openbaar vervoer:
bus
trein
tram
metro
Gebruik deze slide om de vier vormen nog eens naast elkaar te zetten voordat je naar betalen en reizen gaat.
Welk vervoermiddel rijdt over het spoor?
Bus
Metro
Trein
Tram
Controleert of leerlingen de vier hoofdvormen uit elkaar kunnen houden.
Vul de juiste woorden in
De bus rijdt op de en stopt bij bushaltes. De trein vertrekt vanaf en is geschikt voor grotere afstanden. De tram rijdt meestal in de , terwijl de metro vaak eigen banen of heeft.
Correcte invulling: weg, stations, stad, tunnels.
Reizen met een OV-chipkaart
Met een OV-chipkaart betaal je voor je reis in het openbaar vervoer.
Je kunt er saldo op zetten of een abonnement gebruiken.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is saldo?
Saldo is geld dat op je OV-chipkaart staat.
Als je reist, gaat er geld van dat saldo af.
Zonder genoeg saldo kun je soms niet reizen.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is een abonnement?
Een abonnement is een afspraak waarmee je vaker of goedkoper kunt reizen.
Soms reis je onbeperkt in een periode. Soms krijg je korting op bepaalde momenten.
Deze slide heeft geen instructies
Saldo opladen
Je kunt saldo op je OV-chipkaart zetten:
bij een OV-oplaadpunt
online
Noem dat online opladen vaak nog op de kaart moet worden gezet volgens de werkwijze van de vervoerder. Houd het algemeen en praktisch.
Reizen met een betaalpas
Je kunt in het openbaar vervoer ook reizen met een betaalpas.
Dan gebruik je je bankpas om in en uit te checken in plaats van een OV-chipkaart.
Houd het eenvoudig: de leerling hoeft hier vooral te weten dát een betaalpas ook gebruikt kan worden om te reizen.
Inchecken en uitchecken
Bij het begin van je reis check je in.
Aan het einde van je reis check je uit.
Zo weet het systeem waar je reis begint en eindigt.
Deze slide heeft geen instructies
Veilig en correct reizen
Gebruik steeds dezelfde kaart of betaalpas tijdens je reis
Check in aan het begin van de rit in
Check aan het einde van de rit uit
Let op of het poortje of apparaat je handeling goed heeft gelezen
Leg uit dat goed in- en uitchecken belangrijk is om problemen met betaling of reizen te voorkomen.
Belangrijke begrippen
Openbaar vervoer - vervoer voor reizigers waarvoor wordt betaald en waaraan de overheid meebetaalt
Bus - openbaar vervoer dat op de weg rijdt
Trein - openbaar vervoer dat over het spoor rijdt
Tram - openbaar vervoer op rails, meestal in de stad
Metro - snel openbaar vervoer met eigen baan of tunnel
OV-chipkaart - kaart waarmee je betaalt voor reizen in het openbaar vervoer
Betaalpas - bankpas waarmee je ook kunt reizen in het openbaar vervoer
Deze slide heeft geen instructies
Wat is saldo op een OV-chipkaart?
Een reisbewijs
Een abonnement
Geld op de kaart
Een oplaadpunt
Toetst het begrip saldo uit slides 11-17.
Maak de reisregels compleet
Met een OV-chipkaart kun je reizen met of met een abonnement. Saldo kun je opladen bij een of online. Aan het begin van je reis check je en aan het einde check je .
Correcte invulling: saldo, OV-oplaadpunt, in, uit.
Hoe reis je veilig en correct met het OV?
Bespreek of leerlingen noemen: dezelfde kaart of betaalpas gebruiken, aan het begin inchecken, aan het einde uitchecken, controleren of poortje of paaltje de handeling goed leest.
Wat heb je vandaag geleerd over reizen met het OV?
Vrije reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen benoemen wat ze nu beter begrijpen over openbaar vervoer, vervoermiddelen of betalen.
Wat vind je nog lastig aan reizen met het OV?
Vrije reflectie. Gebruik antwoorden om te zien welke begrippen of stappen extra herhaling nodig hebben, zoals saldo, abonnement of in- en uitchecken.
Begrippenlijst
Saldo - geld dat op je OV-chipkaart staat
Abonnement - regeling waarmee je vaker of goedkoper reist
OV-oplaadpunt - plek waar je saldo op je OV-chipkaart zet
Inchecken - je reis starten bij een paaltje of poortje
Uitchecken - je reis afsluiten bij een paaltje of poortje
Deze slide heeft geen instructies