Les 6, reizen met het OV

Reizen met het openbaar vervoer

1 / 30
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBeroepsoriëntatiePraktijkonderwijsLeerjaar 3,4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Reizen met het openbaar vervoer

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel

Ik kan uitleggen wat openbaar vervoer is, welke vormen van openbaar vervoer er in Nederland zijn en hoe je ervoor betaalt met een OV-chipkaart of betaalpas.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden passen volgens jou bij openbaar vervoer?

Gebruik de reacties om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: bus, trein, tram, metro, reizen, kaart, station, halte, inchecken.

Wat is openbaar vervoer?

Openbaar vervoer is vervoer voor veel reizigers tegelijk.


Je reist van de ene plek naar de andere.


Reizigers betalen voor de rit.


De overheid betaalt ook mee aan het systeem.

Benadruk dat openbaar vervoer niet hetzelfde is als privévervoer, zoals een eigen fiets, scooter of auto. Het gaat om vervoer dat voor iedereen toegankelijk is en volgens vaste regels rijdt.

Waarom bestaat openbaar vervoer?

  • Het helpt mensen om naar school, werk of de stad te reizen

  • Veel mensen kunnen tegelijk worden vervoerd

  • Niet iedereen heeft een auto of fiets voor lange afstanden

  • Het verbindt dorpen, steden en wijken met elkaar

Deze slide heeft geen instructies

Wie betaalt het openbaar vervoer?

Openbaar vervoer wordt op twee manieren betaald:


Reizigers betalen voor hun reis met een kaart of betaalpas. Daarnaast betaalt de overheid mee, zodat het systeem kan blijven rijden en bereikbaar blijft.

Leg eenvoudig uit dat kaartjes alleen vaak niet genoeg zijn om alle kosten te betalen, zoals voertuigen, personeel en onderhoud.

Openbaar vervoer is een systeem

  • voertuigen zoals bus, trein, tram en metro

  • haltes en stations

  • regels voor betalen en reizen

  • samenwerking tussen reiziger, vervoerder en overheid

Deze slide heeft geen instructies

Wie betalen samen het openbaar vervoer?

A

Alleen de overheid

B

Reizigers en overheid

C

Alleen reizigers

D

Winkels en scholen

Toetst het kernidee uit slides 2-5: reizigers betalen voor de rit en de overheid betaalt mee aan het systeem.

Maak de tekst compleet

Openbaar vervoer brengt reizigers van de ene plek naar de . Reizigers betalen voor hun , maar de betaalt ook mee. Zo blijft het systeem bereikbaar voor veel .

Openbaar vervoer brengt reizigers van de ene plek naar de
. Reizigers betalen voor hun
, maar de
betaalt ook mee. Zo blijft het systeem bereikbaar voor veel
weg
fiets
winkel
chauffeur

Correcte invulling: andere, reis, overheid, mensen.

De bus

  • Rijdt op de weg

  • Stopt bij bushaltes

  • Handig voor korte en middellange afstanden

  • Komt veel voor in steden en dorpen

Deze slide heeft geen instructies

De trein

  • Rijdt over het spoor

  • Vertrekt vanaf stations

  • Geschikt voor grotere afstanden

  • Verbindt steden en regio’s met elkaar

Deze slide heeft geen instructies

De tram

  • Rijdt meestal in de stad

  • Gaat over rails in of langs de straat

  • Stopt vaak onderweg

  • Handig voor reizen binnen de stad

Deze slide heeft geen instructies

De metro

  • Rijdt vooral in grote steden

  • Gaat snel van wijk naar wijk

  • Heeft eigen banen of tunnels

  • Stopt bij metrostations

Noem eventueel dat metro’s in Nederland vooral voorkomen in en rond de grootste steden. Houd het onderscheid met tram simpel: metro rijdt meer afgescheiden van ander verkeer.

Vier hoofdvormen in Nederland

In Nederland zijn dit de vier hoofdvormen van openbaar vervoer:


  • bus

  • trein

  • tram

  • metro

Gebruik deze slide om de vier vormen nog eens naast elkaar te zetten voordat je naar betalen en reizen gaat.

Welk vervoermiddel rijdt over het spoor?

A

Bus

B

Metro

C

Trein

D

Tram

Controleert of leerlingen de vier hoofdvormen uit elkaar kunnen houden.

Vul de juiste woorden in

De bus rijdt op de en stopt bij bushaltes. De trein vertrekt vanaf en is geschikt voor grotere afstanden. De tram rijdt meestal in de , terwijl de metro vaak eigen banen of heeft.

De bus rijdt op de
en stopt bij bushaltes. De trein vertrekt vanaf
en is geschikt voor grotere afstanden. De tram rijdt meestal in de
, terwijl de metro vaak eigen banen of
lucht
havens
dorp
fietspaden

Correcte invulling: weg, stations, stad, tunnels.

Reizen met een OV-chipkaart

Met een OV-chipkaart betaal je voor je reis in het openbaar vervoer.


Je kunt er saldo op zetten of een abonnement gebruiken.

Deze slide heeft geen instructies

Wat is saldo?

Saldo is geld dat op je OV-chipkaart staat.


Als je reist, gaat er geld van dat saldo af.


Zonder genoeg saldo kun je soms niet reizen.

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een abonnement?

Een abonnement is een afspraak waarmee je vaker of goedkoper kunt reizen.


Soms reis je onbeperkt in een periode. Soms krijg je korting op bepaalde momenten.

Deze slide heeft geen instructies

Saldo opladen

Je kunt saldo op je OV-chipkaart zetten:


  • bij een OV-oplaadpunt

  • online

Noem dat online opladen vaak nog op de kaart moet worden gezet volgens de werkwijze van de vervoerder. Houd het algemeen en praktisch.

Reizen met een betaalpas

Je kunt in het openbaar vervoer ook reizen met een betaalpas.


Dan gebruik je je bankpas om in en uit te checken in plaats van een OV-chipkaart.

Houd het eenvoudig: de leerling hoeft hier vooral te weten dát een betaalpas ook gebruikt kan worden om te reizen.

Inchecken en uitchecken

Bij het begin van je reis check je in.


Aan het einde van je reis check je uit.


Zo weet het systeem waar je reis begint en eindigt.

Deze slide heeft geen instructies

Veilig en correct reizen

  • Gebruik steeds dezelfde kaart of betaalpas tijdens je reis

  • Check in aan het begin van de rit in

  • Check aan het einde van de rit uit

  • Let op of het poortje of apparaat je handeling goed heeft gelezen

Leg uit dat goed in- en uitchecken belangrijk is om problemen met betaling of reizen te voorkomen.

Belangrijke begrippen

Openbaar vervoer - vervoer voor reizigers waarvoor wordt betaald en waaraan de overheid meebetaalt

Bus - openbaar vervoer dat op de weg rijdt

Trein - openbaar vervoer dat over het spoor rijdt

Tram - openbaar vervoer op rails, meestal in de stad

Metro - snel openbaar vervoer met eigen baan of tunnel

OV-chipkaart - kaart waarmee je betaalt voor reizen in het openbaar vervoer

Betaalpas - bankpas waarmee je ook kunt reizen in het openbaar vervoer

Deze slide heeft geen instructies

Wat is saldo op een OV-chipkaart?

A

Een reisbewijs

B

Een abonnement

C

Geld op de kaart

D

Een oplaadpunt

Toetst het begrip saldo uit slides 11-17.

Maak de reisregels compleet

Met een OV-chipkaart kun je reizen met of met een abonnement. Saldo kun je opladen bij een of online. Aan het begin van je reis check je en aan het einde check je .

Met een OV-chipkaart kun je reizen met
of met een abonnement. Saldo kun je opladen bij een
of online. Aan het begin van je reis check je
en aan het einde check je
korting
station
over
door

Correcte invulling: saldo, OV-oplaadpunt, in, uit.

Hoe reis je veilig en correct met het OV?

Bespreek of leerlingen noemen: dezelfde kaart of betaalpas gebruiken, aan het begin inchecken, aan het einde uitchecken, controleren of poortje of paaltje de handeling goed leest.

Wat heb je vandaag geleerd over reizen met het OV?

Vrije reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen benoemen wat ze nu beter begrijpen over openbaar vervoer, vervoermiddelen of betalen.

Wat vind je nog lastig aan reizen met het OV?

Vrije reflectie. Gebruik antwoorden om te zien welke begrippen of stappen extra herhaling nodig hebben, zoals saldo, abonnement of in- en uitchecken.

Begrippenlijst

Saldo - geld dat op je OV-chipkaart staat

Abonnement - regeling waarmee je vaker of goedkoper reist

OV-oplaadpunt - plek waar je saldo op je OV-chipkaart zet

Inchecken - je reis starten bij een paaltje of poortje

Uitchecken - je reis afsluiten bij een paaltje of poortje

Deze slide heeft geen instructies