Trede 26 - Foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen, foutieve samentrekking

Welkom 3G

Trede 26


Foutieve bekopte bijwoordelijke bijzin
en foutieve samentrekking
Nederlands
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom 3G

Trede 26


Foutieve bekopte bijwoordelijke bijzin
en foutieve samentrekking
Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Voor de komende toets leer je:
  • Hoofd- en bijzinnen te onderscheiden *
  • lijdende en bedrijvende vorm te gebruiken **
  • incongruentie te herkennen en te verbeteren ***
  • nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden te onderscheiden **
  • bijvoeglijke bijzinnen te herkennen en te benoemen.
  • foutieve beknopte bijzinnen te herkennen en te verbeteren ***
  • Woordsoorten te benoemen (herhaling) **
znw - lw - bnw, vz - zww - hww - kww - pers. vnw - bez. vnw - wederkerend vnw - wederkerig vnw - vr. vnw - aanw. vnw - betr. vnw - onb. vnw - onb. htw - onb, rtw - bep. htw - bep. rtw - onderschikkend vw - nevendschikkend vw - bw 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Taalgevoel
Welke van de onderstaande zinnen zijn volgens jou goede zinnen?

  1. Onmogelijk dit een was opdracht.
  2. Ik heb honger.
  3. Hij moest weten waarom wegging.
  4. Marilyn Monroe wil president van Nederlands worden.
  5. De tlint was biert.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesprogramma
  1. Terugblik
  2. Uitleg foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin en foutieve samentrekking + oefeningen tijdens de uitleg.
  3. Zelfstandig werken (als er tijd is)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik
  1. Aantrekkelijker formuleren

  2. Lijdende vorm en bedrijvende vorm

  3. (in)congruentie

  4. Verwijswoorden

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...

  • weet je wat een beknopte bijwoordelijke bijzin en een foutieve samentrekking zijn. 

  • kun je foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen en een foutieve samentrekking herkennen.

  • kun je uitleggen waarom er sprake is van een foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin of een foutieve samentrekking.

  • kun je foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen en foutieve samenstellingen verbeteren.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Beknopte
bijwoordelijke bijzin
Een beknopte bijwoordelijke bijzin bevat, anders dan een gewone bijzin, geen onderwerp (het zogenaamde verzwegen onderwerp) en geen persoonsvorm.

In plaats van de persoonsvorm bevat een beknopte bijwoordelijke bijzin: 
  • Een voltooid deelwoord
  • Een onvoltooid deelwoord
  • te + infinitief (het hele werkwoord)
  • Huppelend van plezier, kwam het kind de klas binnen.
  • Uit de wind gehouden, kon hij de eindstreep halen.
  • Slap van het lachen, liepen de meisjes de klas binnen.
  • Na te hebben getankt, konden we verder rijden.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Juiste beknopte bijwoordelijke bijzin
Als een beknopte bijzin een bijwoordelijke bepaling is,  mag deze alleen beknopt zijn als het onderwerp uit de hoofdzin overeenkomt met het onderwerp dat eigenlijk in de beknopte bijzin moet staan (het verzwegen onderwerp).

Afgeleid door een reclamebord, botste ik tegen een stilstaande auto.

  • Wie was afgeleid? Antwoord: 'Ik' = OW
  • 'Ik' is ook het OW van de hoofdzin
  • Het verzwegen onderwerp van de beknopte bijzin en het onderwerp van de hoofdzin komen overeen
  • Hier is dus sprake van een goede beknopte bijzin.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meer voorbeelden
Op zijn rug in de hangmat liggend, las Koen een tijdschrift.

  • Wie lag in de hangmat? Koen.
  • Koen is ook het onderwerp van de hoofdzin, dus het komt overeen met het verzwegen onderwerp van de beknopte bijzin.

In de wetenschap toch niets te leren op school, spijbelde Jelle dagelijks.

  • Wie leerde niets? Jelle. 
  • Jelle is ook het onderwerp van de hoofdzin, dus dat komt overeen met het verzwegen onderwerp van de beknopte bijzin.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na jaren in een la gelegen te hebben, hing ik de foto aan de muur.
Wat is er in bovenstaande zin aan de hand?

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen
Bij een foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin komen het verzwegen onderwerp van de beknopte bijwoordelijke bijzin en het onderwerp van de hoofdzin NIET overeen

Je verbetert een foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin door:
  1. De bijzin volledig uit te schrijven met een onderwerp en een persoonsvorm.
    ...of....
  2. Door het onderwerp van de hoofdzin te veranderen, zodat dit ow gelijk is aan het verzwegen ow.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen

Na een uur in de oven te hebben gestaan, smulden de gasten van de taart. 

Hilarisch zo'n zin!

Goed is: 
  1. Nadat de taart een uur in de oven had gestaan,...
    (let bij het uitschrijven goed op de tijd van de hoofdzin tt/vt) 
    ...of...
  2. Na een uur in de oven te hebben gestaan, werd de taart door de smullende gasten opgegeten.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderwerp van de beknopte bijwoordelijke bijzin is weggelaten?
Napratend over de wedstrijd, verlieten de toeschouwers het stadion.
A
de voetballers
B
de toeschouwers
C
het stadion
D
de wedstrijd

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Napratend over de wedstrijd, verlieten de toeschouwers het stadion.
Goed of fout?
A
goed
B
fout

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk onderwerp van de beknopte bijwoordelijke bijzin is weggelaten?
Kletsnat van de regen thuisgekomen, smaakte de warme chocomelk mij wel.
A
de warme chocomelk
B
ik
C
de regen
D
mij

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kletsnat van de regen thuisgekomen, smaakte de warme chocomelk mij wel.

Goed of fout?
A
goed
B
fout

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na de koning uitgezwaaid te hebben, vertrok de helikopter.
A
goed
B
fout

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wachtend op de bus, kusten zij elkaar.
A
goed
B
fout

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Na koffie gedronken te hebben, reed de bus verder.
A
goed
B
fout

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Alvorens te tekenen, dient u alle consequenties van uw besluit te overwegen.
A
goed
B
fout

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Luid gillend werd zijn verstandskies getrokken.
A
goed
B
fout

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak de volgende foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin juist:
In staat van dronkenschap verkerend, vond de agent hem in de goot.

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak de volgende foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin juist:
Na fraude te hebben geconstateerd, werd de boekhouder direct ontslagen.

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Foutieve samentrekking
  • In zinnen kunnen woorden twee keer voorkomen:
Het feest duurde lang en het feest was erg gezellig. 

  • Soms kun je die woorden de tweede keer weglaten:
Het feest duurde lang en (het feest) was erg gezellig.

  • Dat heet een samentrekking.

Je plakt verschillende zinnen aan elkaar met voegwoorden zoals 'en' of 'maar'

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk(e) woord(en) zijn weggelaten?
Carol heeft gisteren deze berg beklommen en Wietze die berg.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorwaarden samentrekking
(1) Het feest duurde lang en (2) het feest was erg gezellig

  1. Dezelfde functie: In beide zinnen is het feest het onderwerp.
  2. Dezelfde betekenis: het feest heeft dezelfde betekenis.
  3. Hetzelfde getalhet feest heeft hetzelfde getal, namelijk enkelvoud.
Voorbeelden:
  • Ik wil graag naar Spanje op vakantie en in Griekenland wonen. Foutieve samentrekking – wil is in de eerste zin zelfstandig werkwoord en in de tweede zin hulpwerkwoord. In de tweede zin mag ‘wil’ dus NIET ontbreken. De andere woorden kun je wèl weglaten).
  • Op het industrieterrein zijn nieuwe gebouwen neergezet, maar een oude fabriek blijven staan.
    Foutieve samentrekking – de onderwerpen én dus de hulpwerkwoorden hebben niet hetzelfde getal. Het woord ‘zijn’, in de eerste zin, is meervoud, net als ‘nieuwe gebouwen’, het onderwerp en in de tweede zin is ‘een oude fabriek’ enkelvoud, net als het hulpwerkwoord, ‘is’. Je mag ‘is’ dus NIET weglaten.
  • Maria gaf haar vader een cadeautje, maar (gaf) niks om hem. 
    Foutieve samentrekking – de woorden hebben niet dezelfde betekenis. Het woordje ‘gaf’ in de eerste zin betekent: schenken. Het woordje ‘gaf’ in de tweede zin betekent, samen met ‘om’, dat je iemand aardig vindt. Dat is dus iets heel anders, en daarom mag je ‘gaf’ niet weglaten.


Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samentrekking controleren
  1. Noteer de weggelaten woorden.
  2. Bepaal de functie, betekenis en getal van de samengetrokken woorden in het eerste deel.
  3. Bepaal de functie, betekenis en getal van de weggelaten woorden in het tweede deel
  4. Controleer of functie, betekenis en getal in beide gevallen hetzelfde zijn

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Foutieve samentrekking -getal
Foutieve samentrekking betekenis
Foutieve samentrekking gram. functie
Jerry keek naar een hond en daardoor niet uit bij het oversteken. 
Marcel heeft zijn vriendin gefeliciteerd en een cadeau gegeven.
Paul is ziek en naar huis gegaan.

Slide 29 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld zinnen
De hond werd voortdurend gepest en (werd) tenslotte ziek.
  • 'Werd' mag je hier niet weglaten. 'Werd' is in het eerste gedeelte hulpwerkwoord en in het tweede koppelwerkwoord.

Schaatsen is gezond en doe ik regelmatig.
  • Schaatsen (onderwerp) is gezond en dat (lijdend voorwerp) doe ik graag.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld zinnen
Ik liet de honden uit en mijn sleutels vallen.
  • ‘liet' mag je hier niet weglaten. ‘liet' is in het eerste gedeelte zelfstandig werkwoord en in het tweede hulpwerkwoord.
  • Dus: Ik liet de honden uit en liet mijn sleutels vallen.

Paul is ziek en naar huis gegaan.
  • ‘is' mag je hier niet weglaten. ‘is' is in het eerste gedeelte koppelwerkwoord en in het tweede hulpwerkwoord.
  • Dus: Paul is ziek en is naar huis gegaan.


Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld zinnen
Piet is een natuurliefhebber en dan ook vaak in het bos.
  • Piet is (koppelwerkwoord) een natuurliefhebber. 
  • Piet is (zelfstandig werkwoord) dan ook vaak in het bos.
  • Goede zin: Piet is een natuurliefhebber en is dan ook vaak in het bos.

Dat boek vond ik niet te duur, maar leek mij te saai.
  • Dat boek (lijdend voorwerp) vond ik niet te duur.
  • Dat boek (onderwerp) leek mij te saai.
  • Goede zin: Dat boek vond ik niet te duur, maar het (onderwerp) leek mij te saai.


Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In onze straat wordt een verkeersdrempel aangelegd en huizen gebouwd.
Verbeter de samentrekking.

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In onze straat wordt een verkeersdrempel aangelegd en huizen gebouwd.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het lukte haar niet de beste te blijven en begon nerveus te worden.
Verbeter de samentrekking.

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het lukte haar niet de beste te blijven en begon nerveus te worden.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De boot was goed uitgerust en de bemanning ook.
Verbeter de samentrekking.

Slide 37 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De boot was goed uitgerust en de bemanning ook.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De clown trok zijn kleren uit en trok zich niets van van zijn publiek aan.
Verbeter de samentrekking.

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De clown trok zijn kleren uit en trok zich niets van van zijn publiek aan.
Aan welke voorwaarde wordt niet voldaan?
A
Functie
B
Betekenis
C
Getal

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...

  • weet je wat een beknopte bijwoordelijke bijzin en een foutieve samentrekking zijn. 

  • kun je foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen en een foutieve samentrekking herkennen.

  • kun je uitleggen waarom er sprake is van een foutieve beknopte bijwoordelijke bijzin of een foutieve samentrekking.

  • kun je foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen en foutieve samenstellingen verbeteren.

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen / welk lesonderdeel je het lastigst vindt.

Slide 43 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
  1. Lees de theorie over de foutieve beknopte bijwoordelijke bijzinnen in je boekje bij Aantrekkelijk formuleren en maak dan opdracht 10, 11 en 12

  2. Lees de theorie over de foutieve samentrekking in je boekje bij Aantrekkelijk formuleren en maak dan opdracht 13

Slide 44 - Tekstslide

Lees de theorie in je ‘boekje’ bij ‘Bedrijvende en lijdende vorm’ en maak dan opdracht 1 en 2 in je boekje.
Lees de theorie over ‘Incongruentie’ en maak dan opdracht 3.