Oefentoets Grammatica 2e klassen Kapitel 1 t/m 9

  
oefentoets Kapitel 1 t/m 9

1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

  
oefentoets Kapitel 1 t/m 9

Slide 1 - Tekstslide

Hoe goed snap je de grammatica al van Kapitel 1t/m 9 ?
A
Goed!
B
Het meeste snap ik al!
C
Ik moet nog oefenen!
D
Ik snap er niks van!

Slide 2 - Quizvraag

Noem de 9 persoonlijke
voornaamwoorden
in het Duits

Slide 3 - Woordweb

Vertaal:
Wohnt (jullie) in einem Dorf?

Slide 4 - Open vraag

Vertaal:
(u) spielen Gitarre.

Slide 5 - Open vraag

Onregelmatige werkwoorden:  haben + sein

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
haben
hast
habst
haben
habt
habet
hat

Slide 6 - Sleepvraag

Onregelmatige werkwoorden:  haben + sein

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind
sein
sein

Slide 7 - Sleepvraag

Wat is de stam van het werkwoord
spielen

Slide 8 - Open vraag

Met welk ezelsbruggetje kun je een regelmatig werkwoord in het Duits vervoegen?

Slide 9 - Open vraag

Wat gaat anders bij een werkwoord met s-klank (zoals heißen)?
A
ich krijgt geen -e
B
du krijgt alleen een -t
C
er/sie/es krijgen een extra -e
D
wir krijgt geen -en

Slide 10 - Quizvraag

Joris (arbeiten) _____immer in seinem Garten.
A
arbeit
B
arbeitt
C
arbeitet
D
arbeiten

Slide 11 - Quizvraag

Wie (finden)_______ ihr diesen Test?
A
finde
B
finden
C
findt
D
findet

Slide 12 - Quizvraag

Du (tanzen)... in der Disko
A
tanzet
B
tanzt
C
tanst
D
tanzen

Slide 13 - Quizvraag

Du (werden)____ morgen 13? Gratuliert!
A
werdest
B
wirdest
C
werdst
D
wirst

Slide 14 - Quizvraag

(werden)____ er morgen 13? Gratuliert!
A
werdet
B
wirdet
C
wird
D
werdt

Slide 15 - Quizvraag

Ihr (werden)_________ die Prüfung schaffen!
A
werdet
B
werden
C
werdt
D
worden

Slide 16 - Quizvraag

Eindigt een duits voltooid deelwoord soms op een -d
A
Ja
B
Nee
C
Weet ik niet

Slide 17 - Quizvraag

Ihr (haben)________ gut (studieren)___________!
A
habet gestudiert
B
habt gestudiert
C
haben studiert
D
habt studiert

Slide 18 - Quizvraag

Ich habe für dich (bezahlen)__________.
A
bezahlen
B
gebezahlen
C
bezahlt
D
gebezahlt

Slide 19 - Quizvraag

Ich habe für dich (bezahlen)__________.
A
bezahlen
B
gebezahlen
C
bezahlt
D
gebezahlt

Slide 20 - Quizvraag

Geslachtsregels
Vul het juiste lidwoord in
______ Fabrik
A
der
B
die
C
das

Slide 21 - Quizvraag

Geslachtsregels
Vul het juiste lidwoord in
______ Süden
A
der
B
die
C
das

Slide 22 - Quizvraag

Geslachtsregels
Vul het juiste lidwoord in
______ Märchen
A
der
B
die
C
das

Slide 23 - Quizvraag

Geslachtsregels
Vul het juiste lidwoord in
______ Freundschaft
A
der
B
die
C
das

Slide 24 - Quizvraag

Geslachtsregels
Vul het juiste lidwoord in
______ Januar ist der kälteste Monat
A
der
B
die
C
das

Slide 25 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
der Sohn - die _______
A
Sohne
B
Sohnen
C
Söhne
D
Söhnen

Slide 26 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
der Enkel- die _______
A
Enkel
B
Enkels
C
Enkelen
D
Enkeles

Slide 27 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
die Schwester - die _____________
A
Schwester
B
Schwestern
C
Schwesters
D
Schwister

Slide 28 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
die Rechnung - die ____________
A
Rechnung
B
Rechnunge
C
Rechnungs
D
Rechnungen

Slide 29 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
das Heft - die __________
A
Heft
B
Hefte
C
Heften
D
Heftes

Slide 30 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
das Radio - die ___________
A
Radio
B
Radio's
C
Radios
D
Radion

Slide 31 - Quizvraag

Meervoudsregels
Kies de juiste meervoudsvorm
der Urlaubsgruß- die __________
A
Urlaubsgruße
B
Urlaubsgrußen
C
Urlaubsgrüßen
D
Urlaubsgrüße

Slide 32 - Quizvraag

Modalverben
Vervoeg het modale hulpwerkwooord
Er (dürfen)_____ nicht mitkommen.
A
dürft
B
dürf
C
darf
D
darft

Slide 33 - Quizvraag

Modalverben
Vervoeg het modale hulpwerkwooord
Der Trainer sagt, ich (moeten)________ mehr trainieren!
A
muss
B
soll
C
musse
D
solle

Slide 34 - Quizvraag

Modalverben
Vervoeg het modale hulpwerkwoord
(wissen)________du die Antwort ?
A
weißt
B
wisst
C
wisset
D
weißest

Slide 35 - Quizvraag

Modalverben
Vervoeg het modale hulpwerkwoord
(mögen)________ ihr auch Pommes?
A
magt
B
mögt
C
mag
D
mögen

Slide 36 - Quizvraag

Modalverben
Vervoeg het modale hulpwerkwoord
(können)________ Pieter mir die Antwort geben?
A
kannt
B
könnt
C
könn
D
kann

Slide 37 - Quizvraag

Personal Pronomen
Persoonlijk voornaamwoorden
Ich gebe (haar)_____ Blumen.
A
her
B
ihr
C
sie
D
ihm

Slide 38 - Quizvraag

Personal Pronomen
Persoonlijk voornaamwoorden
Gehst du ohne (hen) _____ in die Stadt?
A
ihnen
B
Ihnen
C
sie
D
Sie

Slide 39 - Quizvraag

Personal Pronomen
Persoonlijk voornaamwoorden
Herr Maier, kann ich mit (u)______ mitfahren?
A
Sie
B
Ihnen
C
sie
D
ihnen

Slide 40 - Quizvraag

Personal Pronomen
Persoonlijk voornaamwoorden
Wat zijn voorzetsels van de 3e naamval?
A
aus, mit, nach seit, bei
B
aus, mit, ohne, durch, bei
C
nach, seit, von, zu, ohne
D
für, um, aus, mit, nach

Slide 41 - Quizvraag

Personal Pronomen
Persoonlijk voornaamwoorden
Wat zijn voorzetsels van de 4e naamval?
A
für, durch, seit, um
B
ohne, um bis, gegen
C
durch, ohne, seit, von
D
aus, bei, mit, nach

Slide 42 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoorden
Ist das (jullie) _______ Freundin?
A
ihre
B
euer
C
ihr
D
eure

Slide 43 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoorden
Emmy ist (ons)________ Kind.
A
uns
B
unser
C
unsere
D
unseren

Slide 44 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoorden
Peter ist (haar)_________ Sohn.
A
sie
B
sein
C
ihre
D
ihr

Slide 45 - Quizvraag

Bezittelijk voornaamwoorden
Schreibst du bitte (jouw)_____ Antwort (v) auf.
A
dein
B
diene
C
deine
D
deinen

Slide 46 - Quizvraag

Herr Maier, ist dat (uw)__________ Geschenk?
A
Sie
B
Ihre
C
Ihr
D
Uw

Slide 47 - Quizvraag

Waar heb je nog hulp bij nodig?

Slide 48 - Open vraag