T3 Herhaling B1 tm B6

Thema 3 Bloedsomloop
Herhaling B1 tm B6
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Thema 3 Bloedsomloop
Herhaling B1 tm B6

Slide 1 - Tekstslide

Thema 3 Bloedsomloop
Herhaling B1 tm B6

Slide 2 - Tekstslide

Samenstelling van bloed
  • Eiwitten: fibrinogeen-> functie bloedstolling
  • Opgelost in bloedplasma:                                                                                                     - voedingsstoffen (bv glucose, vitamines )                                                                     -  afvalstoffen (bv CO2)                                                                                                             - O2.

Slide 3 - Tekstslide

Rode bloedcellen
  • Rode bloedcellen vervoeren vooral O2 
  • Bevatten hemoglobine, dit kan O2 vasthouden en weer loslaten.

Slide 4 - Tekstslide

Witte bloedcellen
  • Bestrijden ziekteverwekkers (bv bacteriën) door ze in te sluiten'
  • Maken antistoffen tegen ziekteverwekkers
  • Kunnen van vorm veranderen
  • Kunnen uit een haarvat kruipen

Slide 5 - Tekstslide

Bloedplaatjes
  • Bloedplaatjes zijn geen cellen; uiteengevallen cellen
  • zijn nodig voor de bloedstolling 

Slide 6 - Tekstslide

Kenmerken van drie  vaste bloeddelen
Rode bloedcellen
Witte bloedcellen
Bloedplaatjes
Vorm
ronde platte schijfjes
kunnen van vorm veranderen
verschillend
Celkern
nee
ja 
nee (zijn celfragmenten)
Waar ze gemaakt worden
rode beenmerg
rode beenmerg

rode beenmerg
Aantal per ml bloed
5.000.000
7.000
300.000
Functie
transport O2 en beetje CO2
antistoffen maken en bacteriën bestrijden
zorgt voor de bloedstolling samen met fibrinogeen

Slide 7 - Tekstslide

Welk onderdeel van het bloed heeft een celkern?
A
Witte bloedcellen
B
Bloedplasma
C
Rode bloedcellen
D
Bloedplaatjes

Slide 8 - Quizvraag

Waar worden de vaste onderdelen van het bloed gemaakt?

Slide 9 - Open vraag

Dubbele bloedsomloop
Alle zoogdieren hebben een dubbele bloedsomloop:
(1) Kleine bloedsomloop: hart > longen> hart
     functies: - zuurstof bij de longen ophalen
                      - koolstofdioxide afgeven



(2) Grote bloedsomloop: hart > lichaam > hart
      functies: - zuurstof naar alle organen brengen
                        - koolstofdioxide ophalen

Slide 10 - Tekstslide

3 Typen bloedvaten

Slide 11 - Tekstslide

Kenmerken  verschillende bloedvaten
Slagaders
Aders
Haarvaten
Richting
van hart af
naar hart toe
in organen
Bloeddruk
hoog
laag
middelmatig
Wand
dik, elastisch, stevig
dunne wand
één cellaag dik
Hartslag
'Slag' merkbaar (pols)
'Slag' niet merkbaar
'Slag' niet merkbaar
Plaats
meestal diep in lichaam
meestal ondiep
in het hele lichaam
Kleppen
alleen 1/2maanvormige kleppen
overal kleppen; verhinderen terugstromen bloed
geen kleppen

Slide 12 - Tekstslide

De kleine bloedsomloop start met zuurstofarm bloed.

A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

In welk soort bloedvaten stroomt het bloed van het hart af?


A
Slagaders
B
Haarvaten
C
Aders

Slide 14 - Quizvraag

Welk deel van het hart bevat zuurstofrijk bloed?

A
Rechter helft
B
Linker helft

Slide 15 - Quizvraag

Hart
  •  linker- en rechterkant met elk een boezem en kamer
  •  2 boezems en 2 kamers
Hartboezems
  •  krijgen het bloed vanuit het lichaam
  •  pompen het door naar de kamers
  •  minder gespierd dan kamers
Hartkamers
  •  krijgen het bloed van de boezems
  •  pompen het bloed over een grotere afstand naar organen      in het lichaam
  •  meer gespierd dan boezems
  •  linkerkamer meer gespierd dan rechterkamer

Slide 16 - Tekstslide

Werking van de hartkleppen
Hartkleppen
Halve maanvormige kleppen

Slide 17 - Tekstslide

Werking van het hart
De 3 fasen van een hartslag

Slide 18 - Tekstslide

Langs welke delen stroomt het bloed als het van de boezems naar de kamers gaat?

A
hartkleppen
B
halve maanvormige kleppen

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de volgorde van de hartfasen?


A
Samentrekken kamers – samentrekken boezems – hartpauze
B
Hartpauze -Samentrekken kamers – samentrekken boezems
C
Samentrekken boezems – samentrekken kamers – hartpauze

Slide 20 - Quizvraag

Via welke bloedvaten krijgt de hartspier zelf zuurstof?



A
Aorta
B
Kransaders
C
Holle ader
D
Kransslagaders

Slide 21 - Quizvraag


Via welke bloedvat is een kransslagader een aftakking?


A
Aorta
B
Kransaders
C
Holle ader
D
Hartslagader

Slide 22 - Quizvraag

De nieren en urinewegen
  • Ligging nieren: buikholte vlak onder middenrif
  • Weinig bescherming
  • Nierslagader: aanvoer O+ afvalstoffen naar nieren
  • Nierader: afvoer gezuiverd bloed
  • Nieren: afvalstoffen uit bloed halen
  • Urineleiders: afvoer urine naar urineblaas (tijdelijke opslag
  • Urinebuis : afvoer urine

Slide 23 - Tekstslide

Lengtedoorsnede nier
1 nierkapsel
2 nierbekken 
3 nierslagader
4 nierader
5 urineleider
6 niermerg
7 slagadertje
8 nierschors
9 nierkelkjes

Slide 24 - Tekstslide

Welke bloedvaten voeren bloed met afvalstoffen naar de nieren?

Slide 25 - Open vraag


Waar wordt de urine in de nieren tijdelijk opgeslagen?

A
Niermerg
B
Nierbekken
C
Urineleiders
D
Urineblaas

Slide 26 - Quizvraag

Via welke delen bereiken bacteriën van buitenaf de nieren achtereenvolgens?

A
Urineleider – urineblaas – urinebuis – nieren
B
Urinebuis – urineblaas – urineleider – nieren
C
Urinebuis – urineleider – urineblaas– nieren
D
Urineleider – urinebuis – urineleblaas – nieren

Slide 27 - Quizvraag

Antigenen
  • Infectie: binnendringen van ziekteverwekkers (bacteriën, virussen, schimmels)
  • Lichaamsvreemde stoffen aan de buitenkant van een cel/virusdeel antigenen
  • Witte bloedcellen maken ziekteverwekkers onschadelijk door insluiten 

Slide 28 - Tekstslide

Antistoffen
  • Antistoffen: stoffen die gemaakt worden door witte bloedcellen
  • Antistoffen zitten opgelost in het bloed
  • Antistoffen reageren op de antigenen
  • Antistoffen werken specifiek: ze werken maar op één antigeen
  • Ziekteverwekkers worden in-actief gemaakt

Slide 29 - Tekstslide

Immuniteit
Immuun:
  • Na een infectie blijft antistof in bloed aanwezig, neemt wel af in verloop van tijd. 
  • Je wordt eventjes niet ziek van de ziekteverwekker
Hoe kun je immuniteit opbouwen?
  • Natuurlijke immuniteit
  • Kunstmatige immuniteit

Slide 30 - Tekstslide


Wat gebeurt er bij een tweede infectie met dezelfde ziekteverwekker?
A
Je wordt ziek en het lichaam maakt antistoffen
B
Je wordt een beetje ziek
C
Er komen sneller en meer antistoffen in het lichaam

Slide 31 - Quizvraag

Wat zit er in een vaccin?


A
Antigenen
B
Antistoffen

Slide 32 - Quizvraag

Slagaderverkalking
Beschadiging slagader: ophoping witte bloedcellen en vette stoffen in wand bloedvat --> verdikking --> wordt hard door kalk = aderverkalking
  • Bloedvat wordt nauwer en stijver
  • Bloeddruk wordt hoger
  • Hart moet meer kracht leveren om bloed rond te pompen.
  • Weefsels krijgen minder bloed--> minder zuurstof

Slide 33 - Tekstslide

Hartinfarct
  • Afsluiting van kransslagader door een bloedstolsel
  • Een deel van het hart krijgt geen zuurstof meer--> raakt beschadigd

Slide 34 - Tekstslide


De bloeddruk wordt gemeten in een
A
Armader
B
Armslagader

Slide 35 - Quizvraag

Alcohol wordt afgebroken in
A
Bloed
B
Nieren
C
Darmen
D
Lever

Slide 36 - Quizvraag

Succes met leren voor het proefwerk!!!

Slide 37 - Tekstslide