antwoorden oefentoets grammatica

1
De vrouw = ond (0,5p)gaf = wwg (0,5p)
de zwerver = mv (0,5p)

vijf euro = lv (0,5p)

voor eten = bwb (0,5p)

2 Gisteren = bwb (0,5p)

heeft gevonden = wwg (0,5p)

de dierenbescherming = ond (0,5p)


aan de Zeeuwse kust = bwb (0,5p)



een
jonge zeehond = lv (0,5p
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

1
De vrouw = ond (0,5p)gaf = wwg (0,5p)
de zwerver = mv (0,5p)

vijf euro = lv (0,5p)

voor eten = bwb (0,5p)

2 Gisteren = bwb (0,5p)

heeft gevonden = wwg (0,5p)

de dierenbescherming = ond (0,5p)


aan de Zeeuwse kust = bwb (0,5p)



een
jonge zeehond = lv (0,5p

Slide 1 - Tekstslide

2
De aardige vrouw gaf de zwerver op straat vijf euro voor eten.
voor correcte bwb, 1p voor correcte bvb

Slide 2 - Tekstslide

3


Eigen werk, bijvoorbeeld:Morgen koop ik brood bij de bakker.


Slide 3 - Tekstslide

4

1 samengesteld
2 samengesteld

3 enkelvoudig

Slide 4 - Tekstslide

5


Volgende week gaan we naar het theater,

b als we kaartjes kunnen krijgen

Slide 5 - Tekstslide

6
Er moeten verkiezingen komen, omdat (0,5p) het
kabinet is gevallen (1p).

Slide 6 - Tekstslide

7

1 maar (0,5p), nevensch vw (0,5p)

2tenzij (0,5p), ondersch vw (0,5p)

Slide 7 - Tekstslide

8

1 Welk
2 wat

3wie

Slide 8 - Tekstslide

9

a deze (0,5p) en die (0,5p)

b dit (0,5p) en dat (0,5p)

Woorden met het lidwoord ‘de’ krijgen deze/die
als aanwijzend voornaamwoord (0,5p), woorden met het lidwoord ‘het’
dit/dat (0,5p).

Slide 9 - Tekstslide

10

1 aanw. vnw (0,5p)

2 betr. vnw (0,5p)

3 betr. vnw (0,5p)


4
vrg. vnw (0,5p)

Slide 10 - Tekstslide

11

1 die (0,5p), brief (0,5p)

2 wat (0,5p), het eerste (0,5p)

3 deze (0,5p), laarzen (0,5p)


4
dat (0,5p), regelmatig zwemmen (0,5p)

Slide 11 - Tekstslide

12

Eigen werk, bijvoorbeeld:
a Wat zullen we gaan doen? (1p)
b

De film die op televisie was, vond ik niet boeiend. (1p)

Slide 12 - Tekstslide

13
1 vz; 2 ww; 3 znw; 4 betr. vnw; 5 nevensch. vw;
  1. vr. vnw; 7 bnw; 8 wederkerig vnw; 9 ondersch. vw; 10 betr. vnw; 11
wederkerend vnw; 12 bez. vnw

Slide 13 - Tekstslide

14

Van wie heb je die jas gekregen?
 0,5p per correcte woordsoort, max 3,5p

  


Slide 14 - Tekstslide