TC les 1.7

Taalcompleet
A2 - thema 1
woensdag 4 maart
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Taalcompleet
A2 - thema 1
woensdag 4 maart

Slide 1 - Tekstslide

Doel
  • Ik kan gebruik maken van voegwoorden in een zin:
 

en, maar, want, dus, of

Slide 2 - Tekstslide

Programma
  • Zoek je maatje en maak de zin compleet.
  • Uitleg
  • wordwall
  • vragen over voegwoorden en zelf zinnen maken
  • lied: ze huilt maar ze lacht
  • stellingen

Slide 3 - Tekstslide

Zoek je maatje
Maak de zinnen compleet en blijf bij elkaar staan totdat iedereen een goede zin heeft. 

Slide 4 - Tekstslide

Hoofdzinnen





In een hoofdzin staat het eerste werkwoord altijd op de tweede plaats.
wie of wat
De kat
Ik
We
eerste ww
springt
kan
delen
rest
op tafel.
 vandaag niet
een tuin.
tweede ww

werken.

Slide 5 - Tekstslide

Je kan ook 2 hoofdzinnen aan elkaar maken.
De kat springt op de tafel en hij steelt mijn vlees.
Ik moet morgen werken, maar ik heb geen zin.
Mijn vader eet het liefst spaghetti, want mijn moeder maakt dit goed klaar.
Onze honden zwemmen graag in de zee, dus we gaan vaak naar het strand.
Ik ben heel moe, dus ik ga naar bed.

Slide 6 - Tekstslide

Uitleg
en: toevoeging: iets of iemand erbij 
maar: tegenstelling  
want: reden
dus: gevolg
of: keuze

Slide 7 - Tekstslide

Wordwall
A2                                                                           B1

Slide 8 - Tekstslide

Ik heb een mooi nieuw huis, ... ik ben heel blij.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 9 - Quizvraag

De woonkamer is ruim ... we hebben twee slaapkamers.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 10 - Quizvraag

Ik wil graag een nieuwe keuken, ... ik heb geen geld.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 11 - Quizvraag

Er is een bushalte dichtbij, ... ik ga meestal met de fiets naar mijn werk.
A
en
B
want
C
maar
D
dus

Slide 12 - Quizvraag

Ga je op de fiets ........ ga je liever met de bus?
A
en
B
want
C
maar
D
of

Slide 13 - Quizvraag

IK ben blij, want

Slide 14 - Open vraag

Mijn zoon is elf en

Slide 15 - Open vraag

Ik ga morgen naar de dokter, want

Slide 16 - Open vraag

Het is mooi weer, dus

Slide 17 - Open vraag

Ik ga met de bus, of

Slide 18 - Open vraag

Ze huilt maar ze lacht.
Zet een streep onder de voegwoorden. 

Slide 19 - Tekstslide

Kies een stelling. 
Kies 1 stelling. Ben je het eens of oneens? Noem 3 redenen en gebruik hierbij voegwoorden. 

  1. Sportscholen moeten gratis zijn voor jongeren.
  2. De prijs van een pakje sigaretten moet omhoog naar 20€.
  3. Online gokken moet verboden worden.
  4. Het verzetten van de klok moet afgeschaft worden. 
  5. Suikerfeest moet een landelijke feestdag worden. 


en, maar, want, dus, of

Slide 20 - Tekstslide

Terugblik

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide