Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

Aan het einde van deze les:
  • Weet je het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik
  • Kan je figuurlijk taalgebruik herkennen
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Aan het einde van deze les:
  • Weet je het verschil tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik
  • Kan je figuurlijk taalgebruik herkennen

Slide 1 - Tekstslide


Letterlijk taalgebruik

Dit vertelt precies wat er gebeurd is, er zit geen andere betekenis achter

Bijvoorbeeld: tegen de lamp lopen --> je bent écht tegen de lamp aangelopen

Slide 2 - Tekstslide


Figuurlijk taalgebruik

 Dit heeft een andere betekenis dan dat er staat.

'Tegen de lamp lopen' kan in dit geval ook betekenen: je deed iets stiekem en bent nu gesnapt

Slide 3 - Tekstslide

En nu even oefenen!

Slide 4 - Tekstslide

Je moet het nou eens goed in je oren knopen, dat je op tijd moet komen
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 5 - Quizvraag

Ik heb er een hard hoofd in of ik dit jaar ga slagen voor mijn eindexamen
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 6 - Quizvraag

Ik heb een wond aan mijn hoofd
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 7 - Quizvraag

Ik heb een zere keel
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 8 - Quizvraag

Mijn broer krijgt de baard in de keel
A
letterlijk
B
figuurlijk

Slide 9 - Quizvraag

Fien trekt haar nieuwe schoenen aan.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 10 - Quizvraag

Dylano is een boom van een vent.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 11 - Quizvraag

Zij is het zonnetje in huis.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 12 - Quizvraag

De meester struikelde over zijn veter.
A
Letterlijk
B
Figuurlijk

Slide 13 - Quizvraag

'Het meisje trekt een zuur gezicht.'

Welk woord is figuurlijk gebruikt?
A
Zuur
B
Trekt
C
Meisje
D
Gezicht

Slide 14 - Quizvraag

'Mijn maag knort steeds van de honger.'

Welk woord is figuurlijk gebruikt?
A
Honger
B
Maag
C
Knort
D
Steeds

Slide 15 - Quizvraag

Welke zin is figuurlijk?
A
Hij werkt als een paard.
B
Hij rijdt op zijn paard.

Slide 16 - Quizvraag

Welke zin is figuurlijk?
A
Hij draagt de plank.
B
Hij slaat de plank mis.

Slide 17 - Quizvraag

Welke zin is figuurlijk?
A
Ik kan er geen touw aan vastknopen.
B
Ik kan geen goede knoop maken.

Slide 18 - Quizvraag

Aan het werk
Ga verder met opdracht 4, 5 & 6 uit het boek 
op bladzijde 63.

Slide 19 - Tekstslide