Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening
Hoofdstuk 4: geneesmiddelen in verband met bloed en stolling
17/03/2026
Sylvester Vanden Eede
Thema 6: Farmacologie en dringende medische hulpverlening
Hoofdstuk 4: geneesmiddelen in verband met bloed en stolling
17/03/2026
Sylvester Vanden Eede
Deze slide heeft geen instructies
Herhaling
In de vorige les zagen we:
Geneesmiddelen bij het hart
Geneesmiddelen bij de bloeddruk
Nu leren we: geneesmiddelen die stolling beïnvloeden
Deze slide heeft geen instructies
Waarom stolt bloed?
Om bloeden te stoppen
Om zuurstof te maken
Om hartslag te verhogen
Om bloeden te stoppen
Waarom is stolling belangrijk?
Als een bloedvat beschadigd is:
Het lichaam stopt het bloeden
Er ontstaat een bloedklonter
Maar: Te veel stolling kan een trombose geven!
Deze slide heeft geen instructies
4.1 Normaal stollingsproces
Bordschema
Deze slide heeft geen instructies
4.2 Anti-aggregantia
Effect:
Bloedplaatjes klitten minder samen door acetylsalicylzuur
Gebruik:
Hartinfarct
Stent
Preventie: arteriële trombose
Clopidogrel = geen acetylsalisylzuur maar wel bij de thiënopyridines.
Vaak indien contra indicatie voor acetylsalisylzuur. Vaak bij coronaire problemen of bij plaatsing van eens stent.
4.3 Anticoagulantia
Effect:
Remmen de stollingsfactoren:
Voorbeelden:
Heparine
Vit K antagonisten
DOAC's
Deze slide heeft geen instructies
4.3 Anticoagulantia - Heparine
Effect:
Remt de vorming van het fibrinenetwerk (stap 4)
Gebruik:
Acute arteriële trombose
Longembolie en veneuze trombose
Hepariniseren katheters
Aandachtspunt:
Observeren op bloedingen!
Deze slide heeft geen instructies
4.3 Anticoagulantia - Heparine
HIT:
Heparine Geïnduceerde trombocytopenie
Toedienen van heparine:
Activatie en aggregatie van trombocyten ==> levensbedreigende veneuze of arteriële trombose
Dus: heparineverbod!
Toch nood aan antistolling: VIT K antagonist
Deze slide heeft geen instructies
Een patiënt kreeg een stent in het hart. Waarom krijgt deze patiënt Asaflow?
Om bloedklonters te voorkomen.
4.3 Anticoagulantia - Heparinefracties (LMWH- Heparines
Heparinefracties:
Afgeleiden van heparine maar zelfde effect
Low Moleculair Weight Heparine
Welke klacht kan wijzen op een bloeding?
Zwarte stoelgang
Droge mond
Jeuk
Droge huid
Deze slide heeft geen instructies
4.3 Anticoagulantia - VIT K antagonist
Coumarinederivaten:
Remmen de VIT K gebonden stollingsfactoren
Aandachtspunten:
Bloedcontrole nodig:
INR
De test kijkt naar de tijd die het bloed nodig heeft om een korstje (stolsel) te vormen.
INR 1.0: Dit is de waarde van een gezond persoon die geen antistollingsmiddelen gebruikt.
Hogere INR (bijv. 2.5 of 3.0): Het bloed doet er langer over om te stollen. Het bloed is dus "dunner".
Lagere INR: Het bloed stolt sneller, wat de kans op trombose vergroot.
4.3 Anticoagulantia - DOAC's (Directe Orale Anticoagulantie)
Trombine-remmers
Geen nood aan bloedcontroles
Deze slide heeft geen instructies
4.3 Anticoagulantia - Verpleegkundige aandachtspunten
Melden bij elke chirurgische ingreep
Dienen gestopt te worden bij chirurgische ingreep (meestal 7 dagen op voorhand)
Continu observatie (grote & kleine bloedingen)
GVO
Deze slide heeft geen instructies
Een oudere patiënt neemt Xarelto. Waarom is therapietrouw belangrijk?
Omdat het effect snel verdwijnt
4.4 Trombolytica
Effect:
Lossen bestaande klonters op.
Gebruik:
Beroerte
Longembolie
Deze slide heeft geen instructies
Een patiënt komt binnen met een beroerte. Welke medicatie dien je snel toe en waarom?
Trombolytica. Om hersenschade te beperken.
Samenvatting
Anti-aggregantia ==> voorkomen klonter
Anticoagulantia ==> remmen stolling
Trombolytica ==> lossen klonter op
Deze slide heeft geen instructies