SER ESTAR HAY

Welkom
5 VWO week 5 
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 29 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welkom
5 VWO week 5 

Slide 1 - Tekstslide

¡Bienvenidos!
¿Qué vamos a hacer hoy?
  • SER/ESTAR/HAY
  • Maken: ejercicios A, B y C (RB pag 23 & 24) 
  • Meewerkend voorwerp vervangen door persoonlijk vnw en oefeningen maken 

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Beantwoord de onderstaande 2 vragen:


1. Hoe vind ik het lijdend voorwerp in de zin? 


2. Hoe vind ik het meewerkend voorwerp in de zin?
Lijdend + meewerkend vwp

Slide 10 - Tekstslide

Beantwoord de onderstaande 2 vragen:

1. Hoe vind ik het lijdend voorwerp in de zin? 
Het lijdend voorwerp = wie / wat + onderwerp + gezegde.
Bijvoorbeeld: Ik bakte een taart  Wat heb ik gebakken?
een taart is het lijdend voorwerp

2. Hoe vind ik het meewerkend voorwerp in de zin?
Zet Aan wie of Voor wie voor het onderwerp, het gezegde en het eventuele lijdend voorwerp.
Bijvoorbeeld: Hij geeft zijn moeder een zoenAan wie heeft hij een zoen gegeven? 
zijn moeder is het meewerkend voorwerp
Lijdend + meewerkend vwp

Slide 11 - Tekstslide

Het meewerkend vw

Een meewerkend voorwerp herken je in de zin doordat je er ‘aan’ of ‘voor’ voor kunt zetten.

Bijvoorbeeld: Ik geef bloemen aan mijn moeder. 
Het cadeau is voor jou.

Slide 12 - Tekstslide

Het meew vw vervangen door een persoonlijk vnw.

Ik geef de bloemen aan mijn moeder.
Ik geef de bloemen aan haar.

Het cadeau is voor Mike.
Het cadeau is voor hem.

Slide 13 - Tekstslide

(aan) mij
me
(aan) jou
te
(aan) hem / haar / u
le (se)
(aan) ons
nos
(aan) jullie
os
(aan) hen
les (se)

Slide 14 - Tekstslide

Een persoonlijk voornaamwoord in het Spaans komt altijd voor het eerste (vervoegde) werkwoord in de zin:


Bijvoorbeeld: 
Ik koop bloemen voor mijn moeder:
Compro flores para mi madre. 

Ik koop bloemen voor haar.
Le compro flores. 
 



Slide 15 - Tekstslide

Wij bereiden het eten voor jou en je vader.
Preparamos la comida para ti y tu padre.

Wij bereiden het eten voor jullie.
Os preparamos la comida.

Jullie zingen een liedje voor mij en mijn broer.
Cantáis una canción para mí y mi hermano.

Jullie zingen een liedje voor ons.
Nos cantáis una canción.

Jullie zingen het voor ons.   
Nos la cantáis. 
In deze zin zijn twee persoonlijke voornaamwoorden, de vorm van het meewerkend voorwerp gaat voorop!  Daarna komt het lijdend vw.

Slide 16 - Tekstslide

De vormen voor het meewerkend voorwerp le en les veranderen in se
De vormen voor het meewerkend voorwerp le en les veranderen in se als ze worden gevolgd door het lijdend voorwerp lo, la, los of las.
Bijvoorbeeld:
Ik koop bloemen voor mijn moeder:
Compro flores para mi madre.


Ik koop bloemen voor haar.
Le compro flores. 
Ik koop ze voor haar.
Le  las compro.  > Se las compro 

Slide 17 - Tekstslide

Nog een voorbeeld 
¿Has devuelto las llaves al portero?

Sí, le las he devuelto >  Sí, se las he devuelto. 

Slide 18 - Tekstslide

me
te
lo (le)/la
nos
os 
los (les)/las

Lijd.vw             Meew.vw
me
te
le (se)
nos
os 
les (se)

BELANGRIJK:
1. Plek = VÓÓR het 1e vervoegde ww
2. Eerst meew.vw (als die er is), daarna lijd.vw
3. Een dubbele 'l' kan niet (bijv: le+lo), dan gebruik je 'se'.

Slide 19 - Tekstslide

Twee persoonlijke voornaamwoorden, 1 als lijdend voorwerp en 1 als meewerkend voorwerp in een zin: 
Wanneer het nodig is om in 1 zin twee persoonlijke voornaamwoorden te gebruiken, één als lijdend voorwerp en één als meewerkend voorwerp) dan komt de vorm voor het meewerkend voorwerp voorop!

Bijvoorbeeld: 
Jullie zingen een liedje voor ons.
Nos cantáis una canción.


Jullie zingen het voor ons. 
Nos la cantáis.  



Slide 20 - Tekstslide

Nog een voorbeeld: 
¿Te han dado ya los resultados del analisis? 
Hebben ze al de resultaten van het onderzoek aan jou gegegeven? 

No todavía no me los han dado.
Nee ze hebben ze nog niet aan mij gegeven. 

Slide 21 - Tekstslide

Stap 1:  Zoek het lijd.vw (én/of het meew.vw). 
 
Stap 2:  Vervang het lijd.vw (én/of het meew.vw) door het persoonlijke vnw.

Stap 3:  Zet het persoonlijke vnw nu vóór het 1e vervoegde werkwoord 
             (of vastplakken achter een heel werkwoord/gerundio/ gebiedende wijs).

Let op: eerst het meewerkend voorwerp en dan het lijdend voorwerp!
Stappenplan bij vervanging lijdvw / meew vw door persoonlijk vnw
Bijvoorbeeld: 
¿Me lo quieres dar?                   ¿Quieres darmelo
¿Has dado la comida al niño? 
No, se la estoy dando ahora?   No, estoy dándosela ahora

Slide 22 - Tekstslide

Lijd.vw+Meew.vw (ejercicio)
Vervang het meew.vw door het persoonlijk voornaamwoord
  1. ¿Has comprado los zapatos a los niños?                    Sí,…………………………………..
  2. ¿Has devuelto el coche a tu abuelo?                          Sí,…………………………………..
  3. ¿Anna ha dicho a ti la verdad?                                   Sí,…………………………………..
  4. ¿Habéis pedido la dirección a la compañera nueva? Sí,…………………………………..

Vervang nu het meew.vw én het lijd.vw. door de juiste pers.vnw
  1. ¿Has comprado los zapatos a los niños?                   Sí,…………………………………..
  2. ¿Has devuelto el coche a tu abuelo?                          Sí,…………………………………..
  3. ¿Anna ha dicho a ti la verdad?                                   Sí,…………………………………..
  4. ¿Habéis pedido la dirección a la compañera nueva? Sí,…………………………………..



Slide 23 - Tekstslide

Antwoorden
1.  Sí,  les he comprado los zapatos.
2.  Sí, le he devuelto el coche. 
3.  Sí, me ha dicho la verdad.
4. Sí,  le hemos pedido la dirección. 
________________________________________________________________________________________________
1. Sí, se los he comprado. 
2. Sí, se lo he devuelto.
3. Sí, me la ha dicho. 
4. Sí, se la hemos pedido.

Slide 24 - Tekstslide

Voorzetsels in het Spaans - p.44 Roze boekje
Wat zijn dat ook al weer...?  Welke voorzetsels ken jij in het Nederlands?



a=naar (a +el= al) 
bestemd voor

Slide 25 - Tekstslide

Voorzetsels
Bestudeer de verschillen / betekenis van de voorzetsels:
A, De, En, Con , Por , Para
A --> gaat vaak samen met IR
De --> gaat vaak samen met SER
En --> gaat vaak samen met ESTAR
En --> gebruik bij vervoer!!!
Haz ejercicios A, C, E & F  (EB pag. 46, 47, 48 & 49)

Slide 26 - Tekstslide

Deberes esta semana: 
Leren: voca  (blz  9 & 10 RB)
Leesvaardigheid PA H1 maken oef 43, 44 (uiterlijk 4/10 af)
Leren: voorzetsels
Maken: ejercicios A, B y C (RB pag 23 & 24) 
ejercicios A, C, E & F (RB pag. 46, 47, 48 & 49) (uiterlijk 4/10 af)

Slide 27 - Tekstslide

Deberes esta semana: 
Leren: voca  (blz  9 & 10 RB)
Leesvaardigheid PA H1 maken oef 43, 44 (uiterlijk 4/10 af)
Leren: voorzetsels
Maken: ejercicios A, B y C (RB pag 23 & 24)> ¡esta clase!
ejercicios A, C, E & F (RB pag. 46, 47, 48 & 49) (uiterlijk 4/10 af)

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide