B1-K1-W5 Les 3

Communicatie les 3
B1-K1-W5


1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Communicatie les 3
B1-K1-W5


Slide 1 - Tekstslide

Woordketting spel: 
- Ga in een cirkel staan
- We gaan een woordketting maken met het woord communicatie
- De volgende student noemt een woord dat verband houdt met het vorige woord. 
- Er mogen geen dubble woorden in voorkomen. 
- Wanneer je niks meer weet ben je af! 

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag?
- Presentaties Groepje: Bibi, Izzy, Ilse, Luana
- Les 2 afronden
- Zoekvragen (HW) bespreken
- Oefenen

Slide 3 - Tekstslide

Presentaties ontwikkelingspsychologie 

Slide 4 - Tekstslide

Inhouds- en betrekkingsniveau
Het inhoudsniveau: dit betreft de informatie, de inhoud, het bericht. 

Het betrekkingsniveau: Op dit niveau geeft de zender aan hoe de inhoud moet worden opgevat door de ontvanger en hoe hij zichzelf ziet in de relatie tot de ander.

Slide 5 - Tekstslide

Onderdelen betrekkingsniveau

Het expressieve aspect – dit is wat de zender laat zien over zijn of haar eigen mening, gevoel, oordeel over en ‘met’ de boodschap.  Voorbeelden:
• ‘De deur staat weer open’ = Ik erger me dood aan die open deur.
• ‘Ben ík eventjes bezig zeg!’ = Ik ben trots op mezelf.

Het relationele aspect – dit is hoe de zender de ontvanger ziet. Spreekt er waardering of minachting uit de boodschap? Staat de zender boven, naast, of onder de ontvanger? Is de relatie zakelijk of juist persoonlijk? Vriendelijk of aanvallend? Voorbeeld:
• ‘Hoe héb je dat kunnen doen?’ = Ik vind je een stommeling.

Het appellerende aspect – dit is wat de zender graag wil dat de ontvanger doet of vindt. Het is het beroep dat de zender op de ontvanger doet. Wil de zender slechts informeren of ook overtuigen? Geruststellen of opjagen? Moet de ontvanger iets terugzeggen of liever niet? Voorbeelden:
• ‘De deur staat nog open’ = Doe die deur even dicht!
• ‘Ik ben eventjes bezig’ = Val me nu niet lastig!


Slide 6 - Tekstslide



Wat betekent feedback?


A
Opbouwende kritiek
B
Terugkoppeling
C
Negatieve kritiek
D
Om van te leren

Slide 7 - Quizvraag

2. eenzijdig of tweezijdig communicatie 
eenzijdig: 
éénrichtings-verkeer 
je zoekt informatie op internet

tweezijdig: Je bent tegelijk zender en ontvanger.
een gesprek met iemand

Slide 8 - Tekstslide

Effectieve communicatie
Effectieve communicatie is het vermogen om je boodschap duidelijk en doeltreffend over te brengen aan een ander of een groep mensen. Het betekent dat je luistert naar wat de ander zegt en begrijpt wat ze bedoelen. Door middel van duidelijke taal en gebaren lukt het je om de boodschap over te brengen.

Slide 9 - Tekstslide

Wilt u vandaag douchen?
A
Is een open vraag
B
Is een suggestieve vraag
C
Is een gesloten vraag
D
Is een indirecte vraag

Slide 10 - Quizvraag

Welk vraag is een suggestieve vraag?
A
U wilt zeker niets meer eten?
B
Wilt u koffie of thee?
C
Wat zou u graag vanmiddag willen doen?

Slide 11 - Quizvraag

Een voorbeeld van een reflecterende vraag is?
A
Je wil zeker niet wandelen vandaag?
B
Ben je gaan wandelen?
C
Hoe heb je de wandeling ervaren?
D
Wil je wandelen of hardlopen?

Slide 12 - Quizvraag

Een open vraag begint vaak met wie, wat, waar, welke, waarheen, wanneer of hoe?
A
Niet waar
B
Waar

Slide 13 - Quizvraag

Oefening: 
  • Maak tweetallen bedenk samen een onderwerp waarover jullie het gaan hebben. 

  • Bedenk per persoon open vragen die diepgang in het gesprek geven. 

  • Interview elkaar om de beurt met deze vragen. 

  • Geef elkaar feedback over de kwaliteit van de vragen. 

Slide 14 - Tekstslide

Zoekvragen bespreken
- Groepjes van 4 maken 

- Samen zoekvragen bespreken, vergelijken en afstemmen


Slide 15 - Tekstslide

Wie is het? 
  • Eén Student mag voor de klas komen staan en neemt een andere student uit de klas in gedachten.
  • De studenten in de klas gaan achter hun stoel staan.
  • Jullie mogen vragen stellen die met ja en nee beantwoord kunnen worden, bijv. is het een jongen? Heeft hij een bril? (gesloten vragen) 
  • Studenten die niet binnen de beschrijving passen, gaan zitten, maar mogen nog wel mee blijven doen met het stellen van vragen.
  • Uiteindelijk blijft er één student over, die de gene voor de klas ingedachten had. 

Slide 16 - Tekstslide

Geen ja of nee
In het zeg geen ja zeg geen nee spel vraagt een spelleider steeds een gesloten vraag aan iemand uit de groep. Deze persoon moet de vraag beantwoorden maar mag niet ja of nee zeggen. Elke vraag is voor iemand anders uit de groep. Als iemand per ongeluk wel ja of nee zegt is deze persoon af en mag niet meer mee doen.

Slide 17 - Tekstslide

Spel: Black stories 
Verdeel de klas in 4 groepjes! 

Slide 18 - Tekstslide