Omdat/want:
Na
omdat en
als komt een bijzin.
Wie of wat komt op de eerste plaats.
Ik ga vandaag niet sporten, omdat ik moe ben.
Ik ga vandaag niet sporten, want ik ben moe.
Als:
Met als vertel je wanneer iets gebeurt.
Ik ga uit bed, als mijn wekker gaat.
Mijn vader wordt boos,
als ik te laat
kom.