Werkvormen: Scharniervraag

Scharniervraag

Werkvormen

1 / 8
volgende
Slide 1: Slide
newEditorAardrijkskundeGeschiedenis+3BasisschoolMiddelbare schoolPraktijkonderwijsSpeciaal OnderwijsVoortgezet speciaal onderwijsMBO

In deze les zitten 8 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 5 min
Dit is niet oké

Introductie

Scharniervraag Hoe weet je of de klas klaar is voor de volgende stap? Wat is het? Er zijn momenten waarop je les twee kanten op kan: leerlingen gaan zelfstandig aan het werk, of je begint aan iets nieuws. Op zo'n scharnier stel je één meerkeuzevraag die iedereen tegelijk beantwoordt. Elk fout antwoord hoort bij een denkfout die je vaak ziet. Leerlingen met een denkfout kiezen het foute antwoord dat daarbij past: zo wordt stil onbegrip zichtbaar en kun je daarop inspelen. Wanneer zet je het in? Nieuwe stof bouwt voort op de basis die je eerder uitlegde. Mist een deel van de klas die basis, dan snapt dat deel de nieuwe stof vaak ook niet en kunnen leerlingen in kennis steeds verder uit elkaar lopen. Stel de scharniervraag daarom op het punt waar de rest van je les op die basis bouwt: na de instructie en vóór het zelfstandig werken, of voordat je een nieuw onderwerp begint. Het werkt in elk vak waarin je kunt voorspellen welke fouten leerlingen maken. Hoe zet je het in? 1. Kies het moment. Bepaal bij je voorbereiding het punt in je les waarop leerlingen zelfstandig gaan werken of je naar een nieuw onderwerp gaat, en wat ze daar echt moeten snappen. Leg ook vast bij welke uitslag je doorgaat. 2. Stel de vraag. Eén meerkeuzevraag die iedereen tegelijk binnen twee minuten beantwoordt. Laat elk fout antwoord passen bij een veelvoorkomende misvatting, zodat een fout antwoord je vertelt wát er misgaat. Een flauwe afleider die niemand kiest, vertelt je niets. Laat de uitslag pas zien als iedereen gekozen heeft. 3. Go of no-go. Kiest het grootste deel goed (vuistregel: zo'n 80 procent)? Ga verder en help straks de kleine groep die fout zat. Is de klas verdeeld, laat dan duo's met een verschillend antwoord hun keuze aan elkaar uitleggen en laat opnieuw kiezen. Anders: leg de kern opnieuw uit, op een andere manier. Wat levert het op? Bepaal je vooraf wat de ondergrens is om door te gaan naar de volgende stap in je les, dan kies je straks zonder twijfel. Haalt de klas die grens niet, dan weet je dat je eerst opnieuw moet uitleggen. De verdeling over de opties laat bovendien zien welke denkfout de meeste aandacht nodig heeft. Kiest een groot deel dezelfde foute optie? Dan heb je meteen een mooie fout voor Vind de fout. Waar is het op gebaseerd? De scharniervraag komt van onderwijsonderzoeker Dylan Wiliam. Hij hoort bij formatief handelen: tijdens de les nagaan wat leerlingen begrijpen en je les daarop aanpassen. Rosenshine (2012) beschrijft dat effectieve docenten het begrip van alle leerlingen checken voordat ze verdergaan, omdat wie de eerste stof mist het gevaar loopt verder achterop te raken. Die 80 procent is een vuistregel, geen harde grens. En één vraag laat één kernpunt zien, niet alles wat een leerling kan. Hoe maak je het? Elke scharniervraag is één slide met een meerkeuzevraag. In deze les staan voorbeelden voor aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, Engels en rekenen in de basisschool. In de notities lees je per foute optie welke denkfout erachter zit, en wat je doet bij go, verdeeld en no-go. Maak de vraag die bij jouw les past favoriet of kopieer hem. Zelf maken? Bedenk eerst welke denkfouten je verwacht en schrijf pas daarna de vraag. Dat kost tijd, maar een goede scharniervraag gebruik je elk jaar opnieuw.

Onderdelen in deze les

Scharniervraag

Werkvormen

Deze les laat de werkvorm Scharniervraag zien in vijf vakken: aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, Engels en rekenen voor groep 6. Elke scharniervraag is één slide met een meerkeuzevraag. In de notities lees je per foute optie welke denkfout erachter zit, en wat je doet bij go, bij een verdeelde klas en bij no-go. Kies de vraag die bij je les past, of gebruik hem als model voor je eigen scharniervraag.

De belangrijkste reden dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, is dat…

A

de afstand tussen de aarde en de zon verandert.

B

de zon hoger aan de hemel staat.

C

het noordelijk halfrond dichter bij de zon komt te staan.

D

zeestromen warm water naar het noorden brengen.

A. De bekendste denkfout: in de zomer zou de aarde dichter bij de zon staan. In werkelijkheid staat de aarde begin januari het dichtst bij de zon.
C. Is een keuze van leerlingen die weten dat de aardas scheef staat, maar denken dat ons halfrond daardoor dichter bij de zon komt. Dat verschil is verwaarloosbaar.
D. Is het antwoord van leerlingen die klimaat met seizoenen verwisselen: zeestromen bepalen hoe warm een gebied is, niet waarom het er zomer en winter wordt.
Het goede antwoorden B: De scheve aardas is de oorzaak. In de zomer staat de zon hoger, valt het licht steiler in en zijn de dagen langer.

Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder en help straks gericht wie A of C koos. Is de klas verdeeld, laat dan duo's met een verschillend antwoord elkaar overtuigen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A of C, schijn dan met een zaklamp recht en schuin op een vel papier en laat zien dat schuin licht over een groter oppervlak verdeeld wordt.

Wat is het belangrijkste kenmerk van de Industriële Revolutie

A

De verschillen tussen arm en rijk

B

Urbanisatie: veel boeren trokken naar de stad

C

De stoommachine werd uitgevonden

D

Van handmatig naar machinaal produceren

B kiezen leerlingen die denken dat oud hetzelfde is als primair. Het schilderij is van 66 jaar na de slag, en de schilder was er niet bij. C kiezen leerlingen die primair verwarren met betrouwbaar of deskundig. D is de lastigste: de woorden van de ooggetuigen zijn primair, maar de documentaire is een latere bewerking, dus een secundaire bron. A is goed: de brief is geschreven door iemand die erbij was, in de tijd zelf. Gebruikt jouw methode "bron uit de tijd zelf" in plaats van "primaire bron", pas dan de vraag aan; de denkfouten blijven hetzelfde.

Kiest zo'n 80 procent A, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's elkaar uitleggen waarom hun keuze primair is en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of D, stel dan samen de twee toetsvragen op: is de bron uit de tijd zelf, en was de maker erbij? Loop daarna de vier opties nog eens langs.


Afbeelding: Door Jan Willem Pieneman - www.rijksmuseum.nl : Home : Info, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=34320141

Welke bron is een primaire bron over de Slag bij Waterloo (1815)?

A

een brief van een Britse soldaat aan zijn moeder, juni 1815

B

een beroemd schilderij van de slag, gemaakt in 1881

C

een geschiedenisboek over Waterloo uit 2015, geschreven door een expert

D

een documentaire waarin acteurs brieven van ooggetuigen voorlezen

B kiezen leerlingen die denken dat oud hetzelfde is als primair. Het schilderij is van 66 jaar na de slag, en de schilder was er niet bij. C kiezen leerlingen die primair verwarren met betrouwbaar of deskundig. D is de lastigste: de woorden van de ooggetuigen zijn primair, maar de documentaire is een latere bewerking, dus een secundaire bron. A is goed: de brief is geschreven door iemand die erbij was, in de tijd zelf. Gebruikt jouw methode "bron uit de tijd zelf" in plaats van "primaire bron", pas dan de vraag aan; de denkfouten blijven hetzelfde.

Kiest zo'n 80 procent A, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's elkaar uitleggen waarom hun keuze primair is en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of D, stel dan samen de twee toetsvragen op: is de bron uit de tijd zelf, en was de maker erbij? Loop daarna de vier opties nog eens langs.


Afbeelding: Door Jan Willem Pieneman - www.rijksmuseum.nl : Home : Info, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=34320141

Een trapezium is een vierhoek met minstens één paar evenwijdige zijden.

In welke figuren zie jij een trapezium?

1

2

3

A

alleen 1

B

1 en 2

C

1 en 3

D

1, 2 en 3

A kiezen leerlingen die denken dat een trapezium schuine zijkanten heeft. Dus een rechthoek tellen zij niet mee. Ze passen de definitie niet toe.
C kiezen leerlingen die op de vorm afgaan ("scheef en puntig") in plaats van te kijken naar evenwijdige zijden.
D kiezen leerlingen die denken dat elke vierhoek een trapezium is.
B is goed: figuur 1 heeft één paar evenwijdige zijden (ook al staat hij gedraaid), en de rechthoek heeft er zelfs twee. Gebruikt jouw methode "precies één paar evenwijdige zijden", pas dan de definitie in de vraag aan; dan is A goed.

Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's bij elke figuur de evenwijdige zijden aanwijzen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A of C, laat dan de definitie hardop toepassen: welke zijden zijn evenwijdig, en hoeveel paren zijn dat?

Which of the following is an example of alliteration?

A

Go slow over the road

B

Lunch at church was a sandwich

C

Hills, chills and endless thrills

D

Foolish flaws and personal preferences

A kiezen leerlingen die elke herhaalde klank alliteratie noemen. Hier herhaalt de o-klank zich, en dat heet assonantie. B kiezen leerlingen die een herhaalde medeklinker midden of aan het eind van woorden (de ch in lunch en church) ook alliteratie vinden. C kiezen leerlingen die alliteratie met rijm verwarren. D is goed: alliteratie is dezelfde beginklank in woorden die vlak na elkaar komen.

Kiest zo'n 80 procent D, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's bij elke optie de eerste klank van elk woord hardop zeggen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of C, zet dan alliteratie, rijm en assonantie naast elkaar met een eigen voorbeeld per begrip.

Welke breuk is het grootst?

A

1/8

B

1/3

C

2/9

D

3/7

A kiezen leerlingen die breuken lezen als hele getallen: 8 is meer dan 3, dus 1/8 is groter. Dat is een van de bekendste denkfouten bij breuken.

C kiezen leerlingen die vinden dat grotere getallen een grotere breuk geven. Maar 2/9 is kleiner dan 3/9, en 3/9 is hetzelfde als 1/3.

B is goed: hoe minder stukken je verdeelt, hoe groter elk stuk.

Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's het met een tekening van een pizza of een strook bewijzen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A, verdeel dan dezelfde strook in 3 en in 8 stukken en leg ze naast elkaar.

Vind meer inspiratie op ons Inspiratiekanaal.

Alle werkvormen vind je op het kanaal WoW.

Werkvormen

Zoek je meer werkvormen om je les af te stemmen op wat leerlingen laten zien, kijk dan op het kanaal WoW! Werkvormen in LessonUp. Kiest een groot deel van de klas dezelfde foute optie? Dan heb je meteen een mooie fout voor de werkvorm Vind de fout.