Scharniervraag
Werkvormen
Scharniervraag
Werkvormen
Deze les laat de werkvorm Scharniervraag zien in vijf vakken: aardrijkskunde, geschiedenis, wiskunde, Engels en rekenen voor groep 6. Elke scharniervraag is één slide met een meerkeuzevraag. In de notities lees je per foute optie welke denkfout erachter zit, en wat je doet bij go, bij een verdeelde klas en bij no-go. Kies de vraag die bij je les past, of gebruik hem als model voor je eigen scharniervraag.
De belangrijkste reden dat het ’s zomers warmer is dan ’s winters, is dat…
de afstand tussen de aarde en de zon verandert.
de zon hoger aan de hemel staat.
het noordelijk halfrond dichter bij de zon komt te staan.
zeestromen warm water naar het noorden brengen.
A. De bekendste denkfout: in de zomer zou de aarde dichter bij de zon staan. In werkelijkheid staat de aarde begin januari het dichtst bij de zon.
C. Is een keuze van leerlingen die weten dat de aardas scheef staat, maar denken dat ons halfrond daardoor dichter bij de zon komt. Dat verschil is verwaarloosbaar.
D. Is het antwoord van leerlingen die klimaat met seizoenen verwisselen: zeestromen bepalen hoe warm een gebied is, niet waarom het er zomer en winter wordt.
Het goede antwoorden B: De scheve aardas is de oorzaak. In de zomer staat de zon hoger, valt het licht steiler in en zijn de dagen langer.
Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder en help straks gericht wie A of C koos. Is de klas verdeeld, laat dan duo's met een verschillend antwoord elkaar overtuigen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A of C, schijn dan met een zaklamp recht en schuin op een vel papier en laat zien dat schuin licht over een groter oppervlak verdeeld wordt.
Wat is het belangrijkste kenmerk van de Industriële Revolutie
De verschillen tussen arm en rijk
Urbanisatie: veel boeren trokken naar de stad
De stoommachine werd uitgevonden
Van handmatig naar machinaal produceren
B kiezen leerlingen die denken dat oud hetzelfde is als primair. Het schilderij is van 66 jaar na de slag, en de schilder was er niet bij. C kiezen leerlingen die primair verwarren met betrouwbaar of deskundig. D is de lastigste: de woorden van de ooggetuigen zijn primair, maar de documentaire is een latere bewerking, dus een secundaire bron. A is goed: de brief is geschreven door iemand die erbij was, in de tijd zelf. Gebruikt jouw methode "bron uit de tijd zelf" in plaats van "primaire bron", pas dan de vraag aan; de denkfouten blijven hetzelfde.
Kiest zo'n 80 procent A, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's elkaar uitleggen waarom hun keuze primair is en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of D, stel dan samen de twee toetsvragen op: is de bron uit de tijd zelf, en was de maker erbij? Loop daarna de vier opties nog eens langs.
Afbeelding: Door Jan Willem Pieneman - www.rijksmuseum.nl : Home : Info, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=34320141
Welke bron is een primaire bron over de Slag bij Waterloo (1815)?
een brief van een Britse soldaat aan zijn moeder, juni 1815
een beroemd schilderij van de slag, gemaakt in 1881
een geschiedenisboek over Waterloo uit 2015, geschreven door een expert
een documentaire waarin acteurs brieven van ooggetuigen voorlezen
B kiezen leerlingen die denken dat oud hetzelfde is als primair. Het schilderij is van 66 jaar na de slag, en de schilder was er niet bij. C kiezen leerlingen die primair verwarren met betrouwbaar of deskundig. D is de lastigste: de woorden van de ooggetuigen zijn primair, maar de documentaire is een latere bewerking, dus een secundaire bron. A is goed: de brief is geschreven door iemand die erbij was, in de tijd zelf. Gebruikt jouw methode "bron uit de tijd zelf" in plaats van "primaire bron", pas dan de vraag aan; de denkfouten blijven hetzelfde.
Kiest zo'n 80 procent A, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's elkaar uitleggen waarom hun keuze primair is en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of D, stel dan samen de twee toetsvragen op: is de bron uit de tijd zelf, en was de maker erbij? Loop daarna de vier opties nog eens langs.
Afbeelding: Door Jan Willem Pieneman - www.rijksmuseum.nl : Home : Info, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=34320141
Een trapezium is een vierhoek met minstens één paar evenwijdige zijden.
In welke figuren zie jij een trapezium?
1
2
3
alleen 1
1 en 2
1 en 3
1, 2 en 3
A kiezen leerlingen die denken dat een trapezium schuine zijkanten heeft. Dus een rechthoek tellen zij niet mee. Ze passen de definitie niet toe.
C kiezen leerlingen die op de vorm afgaan ("scheef en puntig") in plaats van te kijken naar evenwijdige zijden.
D kiezen leerlingen die denken dat elke vierhoek een trapezium is.
B is goed: figuur 1 heeft één paar evenwijdige zijden (ook al staat hij gedraaid), en de rechthoek heeft er zelfs twee. Gebruikt jouw methode "precies één paar evenwijdige zijden", pas dan de definitie in de vraag aan; dan is A goed.
Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's bij elke figuur de evenwijdige zijden aanwijzen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A of C, laat dan de definitie hardop toepassen: welke zijden zijn evenwijdig, en hoeveel paren zijn dat?
Which of the following is an example of alliteration?
Go slow over the road
Lunch at church was a sandwich
Hills, chills and endless thrills
Foolish flaws and personal preferences
A kiezen leerlingen die elke herhaalde klank alliteratie noemen. Hier herhaalt de o-klank zich, en dat heet assonantie. B kiezen leerlingen die een herhaalde medeklinker midden of aan het eind van woorden (de ch in lunch en church) ook alliteratie vinden. C kiezen leerlingen die alliteratie met rijm verwarren. D is goed: alliteratie is dezelfde beginklank in woorden die vlak na elkaar komen.
Kiest zo'n 80 procent D, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's bij elke optie de eerste klank van elk woord hardop zeggen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel B of C, zet dan alliteratie, rijm en assonantie naast elkaar met een eigen voorbeeld per begrip.
Welke breuk is het grootst?
1/8
1/3
2/9
3/7
A kiezen leerlingen die breuken lezen als hele getallen: 8 is meer dan 3, dus 1/8 is groter. Dat is een van de bekendste denkfouten bij breuken.
C kiezen leerlingen die vinden dat grotere getallen een grotere breuk geven. Maar 2/9 is kleiner dan 3/9, en 3/9 is hetzelfde als 1/3.
B is goed: hoe minder stukken je verdeelt, hoe groter elk stuk.
Kiest zo'n 80 procent B, ga dan verder. Is de klas verdeeld, laat dan duo's het met een tekening van een pizza of een strook bewijzen en laat opnieuw kiezen. Kiest een groot deel A, verdeel dan dezelfde strook in 3 en in 8 stukken en leg ze naast elkaar.
Zoek je meer werkvormen om je les af te stemmen op wat leerlingen laten zien, kijk dan op het kanaal WoW! Werkvormen in LessonUp. Kiest een groot deel van de klas dezelfde foute optie? Dan heb je meteen een mooie fout voor de werkvorm Vind de fout.