Crisis 3 - consumeren en opofferingskosten

Economie - Havo 4 - Crisis
Havo 4

Crisis 1
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Economie - Havo 4 - Crisis
Havo 4

Crisis 1

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
> Het verschil tussen schaarse en vrije goederen uitleggen.
> Het verschil tussen consumeren en investeren uitleggen.
> De spanning verklaren die bestaat tussen behoefte en beperkte middelen.
> M.b.v. opofferingskosten uitleggen dat economie over kiezen gaat.

Slide 2 - Tekstslide

Terugblik
Huiswerk was voor deze les: 

Basis en intensief: maken vraag 1.11 t/m 1.15
Plus en compact: maken 1.11 t/m 1.14

Is het gelukt om te maken?  


Slide 3 - Tekstslide

Schaarste dwingt tot keuze. Als iemand voor iets kiest, offert hij de waarde van de alternatieven, de andere mogelijkheden op. 

Opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen alternatief.

Zelfstandig nakijken van de opdrachten die je vorige les hebt gemaakt, m.b.v. het nakijkboek 


Als je niet begrijpt wat je verkeerd hebt gedaan, even aangeven, dan kom ik bij je langs.

Slide 4 - Tekstslide

Waar denk je aan bij consumeren?

Slide 5 - Woordweb

Slide 6 - Video

Wat betekent consumeren?
In het woordenboek Van Dale staat het volgende:




Bij economie zeggen we: consumeren is het kopen producten (om daarna te gebruiken) om in je behoeften te kunnen voorzien.
Hoe meer mensen in hun behoeften kunnen voorzien, hoe welvarender ze zijn.

Slide 7 - Tekstslide

Nu weet je wat consumeren is. Wat zou een consument dan zijn?
A
een koper van producten
B
een verkoper van producten

Slide 8 - Quizvraag

Producten
Producten zijn goederen en diensten die je kunt kopen om in je behoeften te voorzien.

Goederen zijn tastbare producten, zoals eten, kleding, een fiets, etc.
Diensten kunnen door iemand geleverd worden, denk aan het knippen van je haar, een taxirit naar huis, een vliegreis naar je vakantiebestemming.

Slide 9 - Tekstslide

Paul koopt een zaklantaarn.
A
Consumeren
B
Investeren

Slide 10 - Quizvraag

De bakker koopt meel om brood te bakken.
A
Consumeren
B
Investeren

Slide 11 - Quizvraag

Eva koopt meel om voor zichzelf een brood te bakken.
A
Consumeren
B
Investeren

Slide 12 - Quizvraag

De bakker koopt een kassa voor in de winkel.
A
Consumeren
B
Investeren

Slide 13 - Quizvraag

Schaarste
Om in je behoeften te voorzien heb je middelen nodig zoals tijd en geld. Deze middelen zijn beperkt, dat noem je schaarste.

Slide 14 - Tekstslide

Wat staat er in het woordenboek?

Slide 15 - Tekstslide

Welvaart en schaarste

Welvaart: de mate waarin je je behoeften kunt vervullen.


Dus hoe meer je behoeften worden vervuld, hoe meer welvaart je hebt. De welvaart van iemand is laag als weinig van zijn behoeften worden vervuld (ook als die persoon erg rijk is).

Welvaart van iemand is hoog als bijna al zijn behoeften worden vervuld (ook als die persoon weinig besittingen heeft).


Niemand heeft genoeg middelen om alle behoeften te vervullen, dit noemen we schaarste

Slide 16 - Tekstslide

Opofferingskosten
Schaarste dwingt tot keuze. Als iemand voor iets kiest, offert hij de waarde van de alternatieven, de andere mogelijkheden op. 

Opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste, niet gekozen alternatief.

Slide 17 - Tekstslide

Zelfstandig werken - huiswerk
Alle leerlijnen: 1.16 + 1.17 + 1.19 + 1.20



LET OP: SO H1 Crisis is op 23 september 

Slide 18 - Tekstslide

Evaluatie
Je krijgt een aantal vragen over de behandelde lesstof. 

Slide 19 - Tekstslide

Sleep de afbeeldingen naar het juiste begrip.
Goederen
Diensten

Slide 20 - Sleepvraag

Wat is geen schaars goed?
A
brood
B
auto
C
zonlicht
D
geld

Slide 21 - Quizvraag

Schaarste betekent in de economie ...
A
dat er weinig van is.
B
dat mensen secundaire behoeften hebben.
C
dat je middelen te beperkt zijn om in al je behoeften te voorzien.
D
dat mensen zich door reclame laten beïnvloeden.

Slide 22 - Quizvraag