H4E - les 2; 14/2 Argumentatiestructuren

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Welkom H4E
Boeken, laptop/schrijfmateriaal op tafel.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
  • We kennen de basisbegrippen van overtuigen
  • We weten wat wordt bedoeld met aanvaardbaarheid van argumentatie
  • We kennen de drie argumentatiestructuren

Slide 3 - Tekstslide

Overtuigen

Slide 4 - Tekstslide

Standpunt en argument
Standpunt want argument

Slide 5 - Tekstslide

Standpunt en argument
Ik vind standpunt want argument

Slide 6 - Tekstslide

Standpunt en argument
In een tekst vaak zonder de signaalwoorden:

Je moet stoppen met roken, het is slecht voor je

Slide 7 - Tekstslide

Standpunt en argument
S staat niet altijd voorop!

Het is slecht voor je, je moet stoppen met roken

Slide 8 - Tekstslide

Standpunt en argument
Let op:

argument is niet hetzelfde als argumentatie

Slide 9 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging

Slide 10 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging
Tegenargument
?

Weerlegging 
?

Slide 11 - Tekstslide

Tegenargument en weerlegging
Tegenargument
Laat zien dat stelling onjuist is.

Weerlegging 
Laat zien dat argument onjuist is.

Slide 12 - Tekstslide

Feitelijk of waarderend
Feitelijk
?

Waarderend
?

Slide 13 - Tekstslide

Feitelijk of waarderend
Feitelijk
Controleerbaar, dus meetbaar, weegbaar of telbaar

Waarderend
Niet vast te stellen of het waar is, is een oordeel

Slide 14 - Tekstslide

Oplossen of beslechten
Oplossen
?

Beslechten
?

Slide 15 - Tekstslide

Oplossen of beslechten
Oplossen
Tegenstanders bereiken een akkoord, vaak een compromis

Beslechten
Een instantie (iemand) besluit wat waar is.

Slide 16 - Tekstslide

Leerdoelen
  • We kennen de basisbegrippen van overtuigen
  • We weten wat wordt bedoeld met aanvaardbaarheid van argumentatie
  • We kennen de drie argumentatiestructuren

Slide 17 - Tekstslide

Aanvaardbaarheid
Feiten (feitelijke argumenten)
    kan je controleren m.b.v. kennis

Slide 18 - Tekstslide

Aanvaardbaarheid
Feiten (feitelijke argumenten)
    kan je controleren m.b.v. kennis

Niet-feiten (waarderende argumenten)
    kan je niet controleren
    vaak 'impliciete overeenstemming'
    meer uitleg nodig, verdere onderbouwing

Slide 19 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Laten we maar even een filmpje kijken

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Argumentatiestructuren
Welke drie structuren zijn er?
Hoe vind je de structuur?

Slide 22 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Welke drie structuren zijn er?
Hoe vind je de structuur?

Altijd m.b.v. de formule:

Ik vind X, want Y

Slide 23 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Enkelvoudig

Nevenschikkend

Onderschikkend

Slide 24 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Enkelvoudig 

Nevenschikkend
  • afhankelijk
  • onafhankelijk

Onderschikkend

Slide 25 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Enkelvoudig 

Nevenschikkend

Onderschikkend
  • verzwegen argument

Slide 26 - Tekstslide

Argumentatiestructuren
Hier komen we op terug!
Nevenschikkend
  • afhankelijk
  • onafhankelijk

Onderschikkend
  • verzwegen argument

Slide 27 - Tekstslide

Aan het werk 1 + 2
Lees H 19, blz 102-103. Snap of vraag.
Lees de tekst 'Erfbelasting is zo slecht niet'
Maak de vragen 11-18.
Lever je antwoorden in, naam op blaadje!

Klaar? Maak opdracht 1 tot en met 7 af
Werk vooral samen met je buurmens!

Slide 28 - Tekstslide