La semaine 40: révisions Unité 1

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

Slide 1 - Tekstslide

La semaine 40:                                                                                        
lundi mardi et mercredi, le quatre, le cinq et le six octobre       


Deze week doen we: 
- maandag: Vertellen wat verwachten toets, vragen stellen
- dinsdag: Herhalen, leren en extra opdr.  
- woensdag: Herhalen, extra opdr./ leren


Slide 2 - Tekstslide

Le but du cours: 
Objectif du cours:
Aan het einde van de les begrijp je de stof voor de toets..

Slide 3 - Tekstslide

Le programme d'aujourd'hui: 
1. Vandaag: maandag (lundi) 
2. Vertellen wat verwachten voor de toets
3. Faire: vragen/ questions, herhalen, leren extra opdr.           
4.  Les devoirs: ler..                

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Et maintenant c'est à vous: 
1. Extra oefenen: mk : menu au choix grammaire 1 et 2 deze moet in ieder geval. Je bepaalt zelf wanneer en of je het tijdens les doet, zodat je me vragen kunt stellen of als HW

2. Oefenen werkwoord: verbuga.nl
3. Leren woorden: Quizlet en daarna formatieve toets (vertel mij als je dit gaat doen)
4. Planning maken, samenvatting, leren
5. Diagnostische toets maken - deze moet ook, in ieder geval voor volgende week

Slide 6 - Tekstslide

voorzetsels bij landen- en stedennamen

                                     |  mannelijk  |   vrouwelijk   |   meervoud  |
----------------------------------------------------------------
landen                      |             ?          |             ?            |             ?           |            
----------------------------------------------------------------
steden                      |            ?           |             ?            |           -             |            
----------------------------------------------------------------          werelddelen          |            ?           |            ?             |              ?          |

Slide 7 - Tekstslide

voorzetsels bij landen- en stedennamen

                                     |  mannelijk  |   vrouwelijk   |   meervoud  |
----------------------------------------------------------------
landen                      |          au         |           en            |           aux        |            
----------------------------------------------------------------
steden                      |           à           |             à             |           -             |            
----------------------------------------------------------------          werelddelen          |            -           |            en           |              -          |

Slide 8 - Tekstslide

hoeveel werkwoorden gebruik je om de passé composé te maken?
Bij vrouwelijke landennamen welke voorzetsel gebruik je ?
Bij mannelijke landennamen welke voorzetsel gebruik je ?
Alle namen van werelddelen zijn mannelijk of vrouwelijk?
Welke hulpwerkwoord gebruik je bij het voltooid deelwoord "été"?
Bij meervoudige landennamen welke voorzetsel gebruik je?
Bij namen van steden en dorpen welke voorzetsel gebruik je?
Wat is de voltooid deelwoord van avoir?
Wat is de voltooid deelwoord van être?
Nederland
Verenigde Staten
Bij "Verenigde Staten" welke voorzetsel gebruik je?
2
en
vrouwelijk
ou
aux
mannelijk
ou
aux
mes
de
eu
1
êtes
avoir
as
Etats-Unis
Pays-Bas
au
été
à
ont

Slide 9 - Sleepvraag

kies de juiste vorm van de passé composé van être.
A
Nous etions été
B
Nous être avons
C
Nous sommes être
D
Nous avons été

Slide 10 - Quizvraag

Bonne chance!!
Veel succes met leren: 
ler. stof toets volgende week: Apprendre 1,2,4,6,8,10 F/N
                 Apprendre 3,5, begrijpen en kunnen
                 toepassen

Slide 11 - Tekstslide

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

Slide 12 - Tekstslide

La semaine 40:                                                                                        
lundi mardi et mercredi, le quatre, le cinq et le six octobre       


Deze week doen we: 
- maandag: Vertellen wat verwachten toets, vragen stellen
- dinsdag: Herhalen, leren en extra opdr.  
- woensdag: Herhalen, extra opdr./ leren


Slide 13 - Tekstslide

Le but du cours: 
Objectif du cours:
Aan het einde van de les begrijp je de stof voor de toets..

Slide 14 - Tekstslide

Le programme d'aujourd'hui: 
1. Vandaag: dinsdag (mardi) 
2. Herhalen
3. Faire: vragen/ questions, herhalen, leren extra opdr.           
4.  Les devoirs: ler..                

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Ik vertrek is:

Slide 17 - Open vraag

Hij vertrekt

Slide 18 - Open vraag

Zij vertrekken (v) meervoud is:

Slide 19 - Open vraag

Zij zijn vertrokken (v meervoud) is:

Slide 20 - Open vraag

U vertrekt is:

Slide 21 - Open vraag

Slide 22 - Tekstslide

Jij gaat uit is:

Slide 23 - Open vraag

Hij gaat uit is:

Slide 24 - Open vraag

Wij gaan uit is:

Slide 25 - Open vraag

Zij zijn uitgegaan v meervoud is:

Slide 26 - Open vraag

Wat wil je nog meer herhaald hebben?

Slide 27 - Woordweb

Bonne chance!!
Veel succes met leren: 
ler. stof toets volgende week: Apprendre 1,2,4,6,8,10 F/N
                 Apprendre 3,5, begrijpen en kunnen
                 toepassen

Slide 28 - Tekstslide

Bonjour et bienvenue!
Comment ça va?
C'est quelle date aujourd'hui?

Slide 29 - Tekstslide

La semaine 40:                                                                                        
lundi mardi et mercredi, le quatre, le cinq et le six octobre       


Deze week doen we: 
- maandag: Vertellen wat verwachten toets, vragen stellen
- dinsdag: Herhalen, leren en extra opdr.  
- woensdag: Herhalen, extra opdr./ leren


Slide 30 - Tekstslide

Le but du cours: 
Objectif du cours:
Aan het einde van de les begrijp je de stof voor de toets..

Slide 31 - Tekstslide

Le programme d'aujourd'hui: 
1. Vandaag: dinsdag (mardi) 
2. Herhalen
3. Faire: vragen/ questions, herhalen, leren extra opdr.           
4.  Les devoirs: ler..                

Slide 32 - Tekstslide

Je (sortir, présent) ___ tous les soirs.
A
sort
B
sortais
C
sors
D
je suis sorti(e)

Slide 33 - Quizvraag

Daisy (sortir, passé composé) ___ hier-soir.
A
est sortie
B
es sortie
C
est sortis
D
est sorties

Slide 34 - Quizvraag

Daisy (partir, passé composé) en France
A
est partie
B
est parti
C
a partie
D
a parti

Slide 35 - Quizvraag

"Wij vertrekken"

Slide 36 - Open vraag

Jullie zijn uitgegaan (mnl mv)

Slide 37 - Open vraag

Zij zijn vertrokken (vrl mv)

Slide 38 - Open vraag

Wij zijn vertrokken (mnl mv)

Slide 39 - Open vraag

Hij vertrekt

Slide 40 - Open vraag

Bonne chance!!
Veel succes met leren: 
ler. stof toets volgende week: Apprendre 1,2,4,6,8,10 F/N
                 Apprendre 3,5, begrijpen en kunnen
                 toepassen

Slide 41 - Tekstslide