Les 18 17 januari 2026

Les 18 17 januari 2026
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary Education

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Les 18 17 januari 2026

Slide 1 - Tekstslide

L18 Wat doen we vandaag? 

1. Hoe ging het met huiswerk maken?
 
2. Dictee.  
3. Cursus 7 Spelling §7 Persoonsvorm tegenwoordige tijd.
4. Cursus 3 Fictie §2 Personages: Lees tekst 1 en 2 en maak opdracht 1. 

5. lesafsluiting

Slide 2 - Tekstslide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Dictee van de dag

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

1

Slide 6 - Woordweb

2

Slide 7 - Woordweb

3

Slide 8 - Woordweb

4

Slide 9 - Woordweb

5

Slide 10 - Woordweb

6

Slide 11 - Woordweb

7

Slide 12 - Woordweb

8

Slide 13 - Woordweb

9

Slide 14 - Woordweb

10

Slide 15 - Woordweb

11

Slide 16 - Woordweb

12

Slide 17 - Woordweb

13

Slide 18 - Woordweb

14

Slide 19 - Woordweb

15

Slide 20 - Woordweb

Werkwoordspelling
Tegenwoordige tijd (tt)
  • Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd spellen.

Slide 21 - Tekstslide

Werkwoordspelling: pv tt

Slide 22 - Tekstslide

De persoonsvorm tegenwoordige tijd (PVTT) (herhaling)
Een werkwoord heeft verschillende vormen. Een daarvan is de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt). Bij de spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd ga je uit van de ik-vorm.

  • pv = persoonsvorm = de vervoegde vorm van het werkwoord: hoort bij het onderwerp. 
  • tt = tegenwoordige tijd = nu

Voorbeeld: ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopen, jullie lopen, zij lopen. 

Slide 23 - Tekstslide

Ik-vorm maken (PVTT)
Zo vind je de ik-vorm: door van het hele werkwoord de laatste twee letters 
(-en) weg te laten. 

Bijvoorbeeld: fietsen → fiets; gooien → gooi.
Soms moet je een letter toevoegen of weglaten:
– laden → laad; boffen → bof.
Bovendien verandert er soms een v in een f of een z in een s:
– beloven → beloof; reizen → reis.

Slide 24 - Tekstslide

Hoe schrijf je de PVTT?  (herhaling)
Zo schrijf je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd:
Staat er ik voor of achter de persoonsvorm? Schrijf de ik-vorm:
– ik laad, laad ik; ik bof, bof ik.

Staat er jij achter de persoonsvorm of je waarvan je jij kunt maken? Schrijf de ik-vorm:
– laad jij/je; bof jij/je. Maar: Laadt je (jouw) vader de aanhangwagen?

In alle andere gevallen in het enkelvoud schrijf je: ik-vorm + t
– jij laadt, hij laadt, zij laadt, laadt de bezorger?; jij boft, hij boft, zij boft, boft je zus?
In het meervoud schrijf je het hele werkwoord:
– wij laden, jullie laden, zij laden; wij boffen, jullie boffen, zij boffen.

Slide 25 - Tekstslide

Trucje: vervang met smurfen
IkIk 
Ik smurf/Ik vind

Smurf jij?/Vind jij?
Smurf je?/Vind je?
Smurft je vader?/Vindt je vader?

Jij smurft/Jij vindt
Hij smurft/Hij vindt

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

Wat doe jij als eerste om de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd goed te spellen?
A
't kofschip gebruiken
B
de ik-vorm maken
C
het woord langer maken
D
zo kort mogelijk schrijven

Slide 28 - Quizvraag

Hopelijk ... (gebeuren) dat nooit meer!
A
gebeurd
B
gebeurdt
C
gebeurt

Slide 29 - Quizvraag

... (vinden) je beste vriend dat ook een goed idee?
A
Vind
B
Vindt
C
Vint

Slide 30 - Quizvraag

Welke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd (loop - liep)?
A
Sterke werkwoorden
B
Zwakke werkwoorden
C
klankveranderende werkwoorden
D
klankvaste werkwoorden

Slide 31 - Quizvraag

Even oefenen
Werkwoordspelling: Persoonsvorm Tegenwoordige Tijd

Spelling Par. 7 maak opdracht 1 en 2 


Slide 32 - Tekstslide

opdracht 1

a Vanwege de dikke mist werd de voetbalwedstrijd afgelast.
b Wie zamelt er geld in voor een mooi cadeau voor de zieke conciërge?
c In het Wilhelminapark picknickt Lois met haar vriendinnen.
d Zal Jacky ook met storm en regen haar hond uitlaten?
e Tijdens de pubquiz beantwoordt Suze zelfverzekerd alle vragen.
f In de gymzaal heeft Andrew Stephanie per ongeluk geslagen met een tennisracket.

Slide 33 - Tekstslide

2

Slide 34 - Tekstslide

Cursus 3 Fictie §2 

Slide 35 - Tekstslide

Vorige les heb je geleerd ...
... wat de begrippen fictie, non-fictie, realistisch en niet-realistisch betekenen. 
... over de personages in een boek en hoe je kunt bepalen of iemand de hoofdpersoon is of een bijfiguur.  
... dat boeken vanuit verschillende perspectieven geschreven kunnen zijn. 

Welke perspectieven zijn dit ook alweer? 


Slide 36 - Tekstslide

Verschillende 
perspectieven:
  • ik-perspectief (ik-vorm)
  • hij/zij/hen perspectief (hij/zij/hen-vorm)
  • wisselend perspectief (verschillende perspectieven wisselen elkaar af)

Slide 37 - Tekstslide

De hoofdpersoon is het belangrijkste personage in het verhaal.

In het verhaal zijn ook personages met kleine rollen, die noem je bijfiguren.

Als jij je goed in het personage kan verplaatsen, dan kun jij je inleven in dat personage.
Meeleven wil zeggen dat je wilt dat het goed gaat met een personage


Personages

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Genres (verhaalsoort)

De meest voorkomende genres:
  • misdaad
  • historisch
  • oorlog
  • psychologisch
  • fantasy
  • science fiction
  • griezel
  • avonturen
  • detective

  • humor
  • drama
  • romantiek


Slide 41 - Tekstslide

Even oefenen: Cursus 3 Fictie §2 
Personages opdracht 1 (lees tekst 1 en 2).    

Slide 42 - Tekstslide

Lesafsluiting
Volgende week is er weer een fysieke les op St Conleth's (we houden weer gewoon de jaarplanner aan). We gaan dan o.a. een toets maken. Jullie huiswerk is: 

▪ Lees in je leesboek.
▪ Leren: Cursus 7 spelling, §1-§4: leer de spellingregels voor de toets.     
▪ Cursus 7 spelling,  §7 (pv in t.t.): maak opdracht 4 en 5 (online).
  
Tot volgende week! 


  
  

Slide 43 - Tekstslide