MOD 3 - Lj 1 - P2 - lw 2 pt1

5.5 t/m 5.8 Clienten met persoonlijkheidsstoornis, hechtingsstoornis, verzamelstoornis en eetstoornis
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
Module 3MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 270 min

Onderdelen in deze les

5.5 t/m 5.8 Clienten met persoonlijkheidsstoornis, hechtingsstoornis, verzamelstoornis en eetstoornis

Slide 1 - Tekstslide

Voor we beginnen...
> Wat weet je nog over de volgende onderwerpen:
  • psychische problemen
  • stemmingsstoornissen
  • angststoornissen
  • psychotische stoornissen

Slide 2 - Tekstslide

Wat is zijn factoren die de kans op psychische problemen kunnen vergroten?

Slide 3 - Open vraag

UNIPOLAIRE STOORNIS
BIPOLAIRE STOORNIS
Opdracht:
Zet de onderstaande termen/zinsdelen op de juiste plek
neerslachtigheid
extreme (tegenoverstellende) gevoelens
manie
verlies van plezier ervaringen
depressie

Slide 4 - Sleepvraag


Beschrijving
Een irrationele angst om in gezelschap een blunder te maken, of in een vervelende situatie te belanden. Door deze angst vermijdt de client sociale contacten.
Welke angststoornis past het beste bij de beschrijving?
A
Paniekstoornis
B
Specifieke fobie
C
Sociale angststoornis

Slide 5 - Quizvraag

Op welke drie manieren kan een psychotische stoornis zich uiten?

Slide 6 - Open vraag

Wat is een persoonlijkheidsstoornis?

Slide 7 - Tekstslide

Wat is een persoonlijkheidsstoornis?
> Onze persoonlijkheid bestaat uit unieke eigenschappen en gedragspatronen. Meestal kunnen we op een gezonde manier ons gedrag flexibel aanpassen op de situatie.

> Iemand met een persoonlijkheidsstoornis heeft een langdurig afwijkend patroon in voelen, denken en/of gedrag.
> Hierdoor ontstaan problemen op diverse levensgebieden, zoals op het werk en in relaties.

Wanneer een persoonlijkheidsstoornis?
  • Bij mensen met een persoonlijkheidsstoornis zijn deze karaktertrekken en eigenschappen extreem aanwezig.
  • Als er een langdurig, afwijkend patroon in het voelen, denken en/of het gedrag is spreken we van een persoonlijkheidsstoornis.
  • mensen met een persoonlijkheidsstoornis ervaren hun beperkingen, maar hebben vaak de indruk dat de problemen ontstaan door factoren van buiten. Ze hebben vaak weinig inzicht in hun eigen aandoening.

Slide 8 - Tekstslide

Door te begrijpen hoe persoonlijkheidsstoornissen ontstaan, kunnen we ook door bepaald gedrag ‘heenprikken’ en zien dat er een levensverhaal onder zit dat de nodige uitdagingen heeft gekend.

Slide 9 - Tekstslide

Persoonlijkheidsstoornissen in clusters opgedeeld
Cluster A
Persoonlijkheidsstoornissen uit cluster A worden gekenmerkt door excentriek of eigenaardig gedrag.

Cluster B
Persoonlijkheidsstoornissen uit cluster B worden gekenmerkt door een dramatische, emotionele, wispelturige of zelfzuchtige presentatie.
Cluster C
Persoonlijkheidsstoornissen uit cluster C worden gekenmerkt door angstig, gespannen of vermijdend gedrag

Slide 10 - Tekstslide

Cluster A
Subgroep A
Je bent voortdurend achterdochtig naar anderen. Je zoekt overal iets achter en bent bang dat andere mensen je willen vernederen of benadelen.
Subgroep B
Je hebt weinig tot geen behoefte aan contact met andere mensen en beleeft geen plezier aan hechte relaties. Je leeft geïsoleerd en je emoties zijn vaak afgevlakt.

Subgroep C
Je isoleert je van anderen, vertoont afwijkend gedrag en hebt ongebruikelijke opvattingen. Een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis heeft een genetische verwantschap met schizofrenie.


Slide 11 - Tekstslide

Cluster B
Subgroep A
Je vertoont antisociaal gedrag en vindt het moeilijk om rekening te houden met de gevoelens van andere mensen. Denk aan roekeloos, agressief, prikkelbaar en impulsief gedrag.

Subgroep B
Een stoornis in het reguleren van emoties. Je reageert vaak onvoorspelbaar, hebt een sterk wisselend zelfbeeld en voelt je snel in de steek gelaten door anderen.
Subgroep C
Je dikt je gevoelens aan en brengt deze op dramatische wijze tot uiting. Je bent charmant, enthousiast en flirterig. Maar je voelt je onzeker en leeg als je niet in het middelpunt van de belangstelling staat.
Subgroep C
Hoofdkenmerk van een narcistische-persoonlijkheidsstoornis is een patroon van grandiositeit, een buitensporige behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie. Je doet alsof je verheven bent boven anderen, maar diep vanbinnen ben je vaak kwetsbaar en onzeker.

Slide 12 - Tekstslide

Cluster C
Subgroep A
Je voelt je afgeremd en bent bang om tekort te schieten of bekritiseerd of afgewezen te worden. Een gevoel van minderwaardigheid voert de boventoon. Je vermijdt sociaal contact, hoewel je hier wel behoefte aan hebt.

Subgroep B
Je voelt je constant afhankelijk van anderen en wilt graag dat anderen je verzorgen. Dit leidt tot angstig, onderworpen en vastklampend gedrag.

Subgroep C
Je bent overdreven gericht op ordelijkheid, controle en beheersing. Perfectionisme en hoge eisen schieten hun doel voorbij en gaan ten koste van flexibiliteit en efficiëntie. Je bent rigide en koppig.


Slide 13 - Tekstslide

Herstel
> 1 op de 3 herstelt volledig
> 1 op de 3 gaat het beter
> 1 op de 3 blijft veel problemen houden
Dus: ja, maar iemand moet bereid zijn om zich anders op te stellen en zijn gedachten en gevoelens onder de loep te nemen.

Wanneer iemand veel tegenslagen heeft gehad of traumatische gebeurtenissen meegemaakt, kan het heel eng zijn om dit te doen, hierdoor lukt dat soms niet. Iemand heeft dan geen vertrouwen meer dat verandering mogelijk is.

Maar hoe?!
Maak een groepje van 3 of 4 studenten, maak een overzicht van de 3 clusters.

Zet hierin welke persoonlijkheidsstoornissen hieronder vallen en welke therapieën worden ingezet om iemand met die persoonlijkheidsstoornis te helpen.

Lever in via Teams of volgens instructie van de docent.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

5G Schema
> Gebeurtenis
Wat is er gebeurd?

> Gedachten
Waar heb je zoal aan gedacht?

> Gevoel
Wat heb je gevoeld?

Slide 16 - Tekstslide

5G Schema
> Gedrag
Hoe heb je gereageerd?

> Gedachten
Wat is er vervolgens gebeurd?
5G Schema
Oefening uit de cognitieve gedragstherapie.

Geeft je inzicht in het verband tussen wat je denkt, voelt en doet (erachter komen welke gedachten, vervelende gevoelens oproepen)  ook handig bij cliënten met faalangst

  • Helpende  ‘Ik kan het’ - ‘Niet iedereen is perfect’
  • Niet-helpende gedachten ‘Ik ga het verpesten’ - ‘Ze zullen mij vast raar vinden’


Slide 17 - Tekstslide

Bespreken huiswerk
Jullie hebben gemaakt:
  • Opdracht 1 t/m 4 - blz. 34 t/m 37

Aan de slag!
Opdracht 4 t/m 5 (in tweetallen)

Slide 18 - Tekstslide