Spelling - Groep 6 - routewoord

Doel: Routewoord
Je gaat vandaag zelfstandig de instructie door, dat betekent dat je elke pagina bekijkt, leest en luistert. Ook beantwoord je ondertussen vragen bij een quiz. 
Het gaat me niet om 'snel', maar vooral om goed! 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Doel: Routewoord
Je gaat vandaag zelfstandig de instructie door, dat betekent dat je elke pagina bekijkt, leest en luistert. Ook beantwoord je ondertussen vragen bij een quiz. 
Het gaat me niet om 'snel', maar vooral om goed! 

Slide 1 - Tekstslide

Op deze pagina zie je wat je nodig hebt:
Pak alvast pen en papier / whiteboard en stift (kies zelf!).
Heb je je koptelefoon of oortjes al in/op? Anders doe je dat nu!
Klik daarna op de luidspreker hieronder.
Testopname

Slide 2 - Tekstslide

Cat. 25: Routewoorden:

- Wij douchen
- De route

Op de volgende pagina bekijk e het instructiefilmpje van de categorie : Routewoorden.

Slide 3 - Tekstslide

0

Slide 4 - Video

Voor je het dictee begint herhalen we nog even de werkwoordspelling.
Tegenwoordige tijd:
Ik  ww = Stam van het werkwoord. 
(hele werkwoord, daar haal je -en vanaf, voorbeeld: 
Zoeken > De stam is dus Zoek. We noemen het ook wel de ik-vorm.)

Deze vorm gebruiken we ook als we 'jij' achter het werkwoord zetten:
voorbeeld: Zoek jij?

Slide 5 - Tekstslide

Werkwoordspelling
Als we het hebben over iets of iemand anders of jij,  in de enkelvoud (1 persoon!) schrijven we: Stam+t. Eindigt de stam al op een t, dan schrijf je er geen een bij (voorbeeld: zit).
Jij zoekt
Hij zoekt
De onderzeeër zoekt
U zoekt
Jan zoekt

Slide 6 - Tekstslide

Werkwoordspelling
Op de momenten dat het hebben over een groepje mensen of wij (meervoud) dan schrijven we het hele werkwoord.
Wij zoeken
Jullie zoeken
De kinderen zoeken
De vogels zoeken
De jongens zoeken

Slide 7 - Tekstslide

Werkwoordspelling heb je altijd nodig. In alle zinnen zit een werkwoord en het is dus belangrijk dat je de regels goed kent!

Daarom oefenen we hier heel veel mee!

Slide 8 - Tekstslide

Klankgroepenwoord
Bij een klankgroepenwoord verdeel je het woord in klankgroepen. Daarna bedenk je bij elke klankgroep: Welke categorieën heb ik nodig om het woord te schrijven?

Slide 9 - Tekstslide

Welke categorieën gebruik je voor het volgende woord?
waterniveau
A
10, 6, 24
B
10, 25
C
10, 13
D
10, 13, 24

Slide 10 - Quizvraag

Welke categorieën gebruik je voor het volgende woord?
sociaal
A
10, 15, 13
B
10, 18, 19
C
10, 17, 6
D
10, 13, 18

Slide 11 - Quizvraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 1

Slide 12 - Open vraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 2

Slide 13 - Open vraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 3

Slide 14 - Open vraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 4

Slide 15 - Open vraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 5

Slide 16 - Open vraag

Typ de woorden die je hoort:
Woord 6

Slide 17 - Open vraag

Typ de zin die je hoort: (let op leestekens!)
Zin 1

Slide 18 - Open vraag

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:

Je moet de notities nu op mijn bureau leggen.
A
Je
B
de notities
C
moet
D
leggen

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het onderwerp in de volgende zin:

Je moet de notities nu op mijn bureau leggen.
A
de notities
B
Je
C
mijn bureau
D
moet leggen

Slide 20 - Quizvraag

Zet 'm op! 
Je kunt nu bezig met de opdrachten van 

Blok 6, Week 2, Les 1

Slide 21 - Tekstslide