uitleg bij mindmap

Fictie opdracht 1 = de mindmap

Wat moet ik weten en doen voor de mindmap?

1. Lees de opdracht in de Studiewijzer

2. Gebruik deze les voor de toelichting
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 18 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Fictie opdracht 1 = de mindmap

Wat moet ik weten en doen voor de mindmap?

1. Lees de opdracht in de Studiewijzer

2. Gebruik deze les voor de toelichting

Slide 1 - Tekstslide

Let op!
Een mindmap heeft steekwoorden en plaatjes. 
Geen hele zinnen dus!


Grappig => 

Slide 2 - Tekstslide

Fictie-opdracht 1
Literaire mindmap, deadline vrijdag 3 november
1. Schrijver
2. Beoordelingswoorden (woorden die je mening weergeven)
3. Plot (het verhaal in het kort)
4. Personages (hoofdpersonen én bijfiguren)
5. Tijd (in welk tijd speelt het, tijdsprongen, flashbacks)
6. Spanning (hoe bouwt de schrijver spanning op?)
NB: de richting van de mindmap is rechts, met de klok mee.

Slide 3 - Tekstslide

1. Schrijver
Vertel in steekwoorden over de schrijver:

* Naam, geboortedatum en -plaats?
* Over welke thema's schrijft de schrijver vaak?
* Welke populaire titels schreef hij/zij?
* Prijzen gewonnen?

Slide 4 - Tekstslide

2. Beoordelingswoorden
Met behulp van beoordelingswoorden kan je je mening geven over 
het verhaal en over de personages. 

Over een verhaal kan je bijvoorbeeld zeggen:
meeslepend of makkelijk leesbaar

 Over een personage kan je bijvoorbeeld zeggen:
geheimzinnig of volwassen 

Als je een beoordelingswoord gebruikt moet je altijd uitleggen waarom voor dit specifieke woord gekozen hebt. Deze uitleg wordt het argument genoemd.

Slide 5 - Tekstslide

2. Beoordelingswoorden
Met behulp van beoordelingswoorden kan je je mening geven over het verhaal en over de personages. 

Over een verhaal kan je bijvoorbeeld zeggen:
meeslepend of makkelijk leesbaar

 Over een personage kan je bijvoorbeeld zeggen:
geheimzinnig of volwassen 

Als je een beoordelingswoord gebruikt moet je altijd uitleggen waarom voor dit specifieke woord gekozen hebt. Deze uitleg wordt het argument genoemd.

Slide 6 - Tekstslide

2. Beoordelingswoorden

Als je een beoordelingswoord gebruikt,
moet je kort uitleggen waarom voor dit
specifieke woord gekozen hebt.

Deze uitleg wordt het argument genoemd.

Slide 7 - Tekstslide

3. Plot
Wat is de plot?
De plot is de verhaallijn van je boek
in een paar zinnen.

Een simpele weergave van de plot is:

karakter/personage + doel + conflict + oplossing = plot

Slide 8 - Tekstslide

3. Plot
Neem bijvoorbeeld de film The Lion King. 

Je karakter (Simba)
wil koning worden (doel),
maar in de weg staat zijn oom Scar (conflict)
Simba gooit Scar van de rots (oplossing)  
= je plot

Slide 9 - Tekstslide

4. Personages
Beschrijf kort de hoofdpersonen
en de belangrijkste bijfiguren:

> uiterlijk;
> karakter;
> persoonlijke ontwikkeling?
bijv. bang > dapper


Slide 10 - Tekstslide

5. Tijdsperspectief 
*  Een schrijver kan een verhaal met de gebeurtenissen mee        
     vertellen, of:

* Het verhaal wordt achteraf verteld > de verteller kent de   
   afloop al en kan dus vooruitlopen op de gebeurtenissen.
   Heen en weer gaan tussen heden en verleden dus.

Slide 11 - Tekstslide

5. Tijdsperspectief 
Begrippen:

> chronologisch 
> niet-chronologisch 
> flashback 
> flashforward 



Slide 12 - Tekstslide

5. Tijdsperspectief
 Een schrijver kan met het verhaal mee vertellen of achteraf vertellen:



* de gebeurtenissen worden beschreven alsof ze op dit moment gebeuren of zoals het gebeurd is = chronologisch
* de schrijver begint bij de afloop en vertelt hij in de rest van het boek wat er daarvoor gebeurd is = niet-chronologisch 
Vaak begint hij midden in het verhaal en pas later vertelt hij wat er daarvoor gebeurd is, dit heet de voorgeschiedenis.


Slide 13 - Tekstslide

Flashback
Bij een flashback ga je terug in de tijd.

Flashbacks zijn een populaire literaire techniek voor schrijvers 
om bij het starten van een verhaal 
drama of spanning toe te voegen,
of om de lezer te vullen met belangrijke informatie.

Slide 14 - Tekstslide

Flashback
1. De verteller vertelt een ander over gebeurtenissen uit het verleden;
 
2. De verteller droomt over gebeurtenissen uit het verleden;

3. De verteller denkt terug aan gebeurtenissen uit het verleden
en onthult de informatie alleen aan de lezer;

4. De verteller leest een brief die teruggaat naar een eerdere tijd.

Slide 15 - Tekstslide

Flashforward
Een flash forward is een vooruitblik.

Ook een flashforward kun je gebruiken om spanning op te bouwen. Door een bepaalde – vaak onlogische - gebeurtenis aan te kondigen, wil de lezer te weten komen hoe of waarom iets gebeurd is / zal gebeuren. 

Slide 16 - Tekstslide

Flashforward
LET OP:

Een flashforward kan alleen verteld
worden door een auctoriale/alwetende verteller.

Als personage in een verhaal (ik of hij/zij) kun je
zelf namelijk nooit in de toekomst kijken,

Slide 17 - Tekstslide

6. Spanning

1. Geef de hoofdpersoon een conflict;
2. Laat de kijker meer weten dan de hoofdpersoon;
3. Houd informatie achter (gaten in het verhaal);
4. Blik vooruit naar de toekomst;
5. Gebruik cliffhangers.
 


Slide 18 - Tekstslide