Keukentermen

1. Wat betekent ‘schillen’?

A

Een appel in stukjes snijden

B

Een appel koken

C

De buitenkant van een appel verwijderen

D


1 / 10
volgende
Slide 1: Quizvraag
newEditorGroenPraktijkonderwijsLeerjaar 4

In deze les zitten 10 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

1. Wat betekent ‘schillen’?

A

Een appel in stukjes snijden

B

Een appel koken

C

De buitenkant van een appel verwijderen

D


  1. Bij welk gerecht zou je 'pellen' gebruiken?

A

Een ui voor de soep

B

Een wortel voor de salade

C

Een paprika voor de pizza

D


3. Wat betekent ‘ontvellen’?

A

De pitjes uit een tomaat halen

B

De schil van een tomaat verwijderen

C

Een tomaat in stukjes snijden

D


4. Welke kruid moet je vaak ‘plukken’ voor een frisse salade?

A

Komkommer

B

Aardappel

C

Peterselie

D

Answer D

5. Wat doe je als je iets ‘ciseleert’?

A

Je snijdt het heel fijn, zoals bij een komkommer

B

Je bakt het in de pan

C

Je kookt het in water

D


6. Bij welk gerecht moet je ingrediënten ‘fruiten’?

A

Soep met ui en knoflook

B

Friet met mayonaise

C

Frisse salade

D


7. Waarom ‘ontzuur’ je een tomatensaus?

A

Om de saus zoeter te maken

B

Om de smaak van de saus te verbeteren

C

Om de saus dikker te maken

D


8. Wat gebeurt er als je iets ‘reduceert’?

A

Je voegt water toe aan een saus

B

Je maakt een saus minder zout

C

Je kookt een saus in tot hij dikker wordt

D


9. Waarom ‘blancheer’ je groenten?

A

Om ze helemaal gaar te koken

B

Om ze in de oven te bereiden

C

Om ze kort te koken en de kleur mooi te houden

D


10. Wat doe je als je iets ‘sauteert’?

A

Je bakt het snel in een beetje olie

B

Je bakt het in de oven

C

Je kookt het in water

D