Mijn herfstwandeling
Mijn herfstwandeling
Open de les met het thema van de schrijfopdracht: een korte tekst over de herfst in eigen woorden. Houd de focus op woordgebruik, tegenwoordige tijd en eenvoudige zinnen.
Lesdoel
Ik schrijf een korte tekst van 5 tot 8 zinnen over mijn herfstwandeling, met herfstwoorden en zinnen in de tegenwoordige tijd.
Deze slide heeft geen instructies
Incheck
Hoe gaat het met jullie?
Hoe is het weer vandaag?
Hebben jullie nieuwe woorden in je schrift?
Deze slide heeft geen instructies
Welke herfstwoorden weten we nog?
Gebruik de inzendingen om voorkennis te activeren. Vraag eventueel door naar woorden over weer, kleding, natuur en thuis.
Waarover schrijf je?
Je schrijft een korte tekst over de herfst.
Je mag schrijven over een wandeling in het park of in een bosrijke omgeving, bijvoorbeeld in de natuur rond Zutphen.
Je tekst heeft 5 tot 8 zinnen.
Benadruk dat leerlingen een eenvoudige, persoonlijke tekst schrijven. Het hoeft geen perfect verhaal te zijn; het gaat om duidelijke zinnen over wat je ziet en doet.
Wat moet in je tekst staan?
Schrijf over deze vier dingen:
het weer in de herfst
wat je buiten draagt
welke kleuren je ziet
wat je graag doet als het koud is
Zo krijgt je tekst genoeg inhoud.
Koppel deze vier punten aan de opdrachtvragen. Dit geeft leerlingen houvast voor 5 tot 8 zinnen.
Schrijven in de tegenwoordige tijd
Gebruik zinnen over nu.
Voorbeelden:
Het regent.
Ik draag een jas.
De bladeren zijn geel.
Ik drink warme thee.
Wijs erop dat leerlingen geen verleden tijd gebruiken zoals 'ik liep' of 'het regende'. De opdracht vraagt om tegenwoordige tijd.
Welke zin staat in de tegenwoordige tijd?
Ik liep in het park.
Ik draag een jas.
De wind waaide hard.
Ik dronk warme thee.
Sluit aan bij de slides over opdrachtopbouw en tegenwoordige tijd. De andere opties staan in de verleden tijd.
Het weer in de herfst
Handige woorden:
de wind
de regen
koud
fris
de wolk
Voorbeelden: Het is fris. De wind waait.
Laat zien dat leerlingen niet alle woorden hoeven te gebruiken. Eén of twee weerzinnen zijn genoeg als ze duidelijk zijn.
Kleding voor buiten
Woorden die passen bij de herfst:
de jas
de trui
de sjaal
de laarzen
Voorbeeld: Ik draag een warme jas en laarzen.
Deze slide heeft geen instructies
Wat zie je in de natuur?
Gebruik woorden over buiten:
het blad / de bladeren
de boom
het bos
de eikel
Kleuren in de herfst zijn vaak geel, oranje en bruin.
Herhaal enkelvoud en meervoud: het blad → de bladeren. Dat is nuttig voor zinnen over wat leerlingen zien.
Wat doe je als het koud is?
Je kunt schrijven over wat je fijn vindt.
Voorbeelden:
Ik drink warme thee.
Ik zit op de bank.
Ik blijf thuis.
Ik draag een warme trui.
Maak duidelijk dat dit persoonlijke voorkeuren zijn. Leerlingen mogen zelf kiezen wat bij hen past.
Welk woord past het best bij kleding?
de eikel
de sjaal
de wolk
het bos
De afleiders komen uit de andere woordvelden op de slides: natuur en weer.
Welke twee dingen zet jij zeker in je tekst?
Let op of leerlingen minimaal twee onderdelen noemen die in de tekst moeten terugkomen, zoals weer, kleding, kleuren/natuur of wat je doet als het koud is.
Zo bouw je je tekst op
Een eenvoudige volgorde helpt:
zin 1: het seizoen
zin 2: het weer
zin 3: waar je bent
zin 4: wat je draagt
zin 5: wat je ziet
zin 6: wat je graag doet als het koud is
Gebruik dit als steunstructuur. Leerlingen mogen hiervan afwijken, zolang hun tekst duidelijk en volledig is.
Wat hoort in zin 4 van de voorbeeldopbouw?
wat je ziet
het seizoen
wat je draagt
het weer
Toetst of leerlingen de steunstructuur van de tekst kunnen volgen.
Aan het werk!
Lees je werkblad en maak de schrijfopdracht.
Je schrijft een korte tekst over de herfst. Tussen de 5 tot 8 zinnen.
m
s
Werkblad:
Wat heb je vandaag geleerd voor je schrijftekst?
Bespreek of leerlingen iets concreets uit de les kunnen benoemen: tegenwoordige tijd, herfstwoorden, opbouw in 5 tot 8 zinnen, of de vier onderdelen van de opdracht.
Wat hielp jou het meest bij deze les?
Gebruik dit als korte metacognitieve check. Mogelijke antwoorden: voorbeeldtekst, woordenlijst, opbouw in zinnen, of de vier hulpvragen.
Woordenlijst
de wind - bewegende lucht buiten
de regen - water dat uit de lucht valt
koud - niet warm
fris - een beetje koud en aangenaam
de wolk - grijze of witte luchtmassa
de jas - kleding die je buiten draagt
de sjaal - warme stof voor je hals
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
de trui - warm kledingstuk met mouwen
de laarzen - stevige schoenen, vaak tegen regen
het blad - een deel van een boom of plant
de bladeren - meer dan één blad
de boom - grote plant met stam en takken
het bos - plek met veel bomen
de eikel - noot van een eik
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst
warm - met veel warmte
de thee - warme drank
de bank - meubel om op te zitten
de herfst - seizoen na de zomer en voor de winter
wandelen - rustig lopen
dragen - kleding aanhebben
zien - met je ogen waarnemen
Deze slide heeft geen instructies