Samenvatting H3

Herhaling H3 (kader 4)
We gaan voor de winst

Deze Lessonup kan je goed gebruiken voor het herhalen van de rekensommen van hoofdstuk 3. 
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Herhaling H3 (kader 4)
We gaan voor de winst

Deze Lessonup kan je goed gebruiken voor het herhalen van de rekensommen van hoofdstuk 3. 

Slide 1 - Tekstslide

Belangrijke begrippen - winsten
  afzet = Aantal producten/diensten dat een bedrijf verkoopt.
Omzet = Opbrengst van de verkopen. 
Inkoopwaarde = de totale waarde van de goederen die je hebt ingekocht. (let op dit zijn géén bedrijfskosten!)
Brutowinst = het bedrag dat je overhoudt om je kosten te betalen. 
Nettoresultaat = Het bedrag dat een bedrijf na aftrek van kosten overhoud (winst/verlies)









Slide 2 - Tekstslide

Omzet 
(550 x 3,5)
€ 1925
Inkoopwaarde
(550 x 1,30)
€    715 _
Brutowinst
1925 - 715
€   1210
Bedrijfskosten
€    320 _ 
Nettoresultaat
1210- 320 
   € 890.- (winst)
Alexander verkoopt ijsjes in de zomer. Afgelopen Juni heeft hij er 550 verkocht voor een gemiddelde verkoopprijs van € 3,50. De inkoopprijs is € 1,30 per ijsje. De bedrijfskosten bedroegen € 320.- Heeft Alexander winst of verlies gemaakt. Bekijk het voorbeeld hieronder. 

Slide 3 - Tekstslide

Ben verkoopt telefoonhoesjes. In de maand Juli heeft hij 700 hoesjes verkocht. De verkoopprijs is gemiddeld € 5 per hoesje. De inkoopprijs is € 1,10 per hoesje. De huurkosten waren € 700 en de loonkosten bedroegen € 800.
Bereken het Nettoresultaat.

Slide 4 - Open vraag

Wat is de juiste omschrijving van het begrip nettoresultaat?
A
De brutowinst min de bedrijfskosten.
B
De nettowinst min de bedrijfskosten.
C
De nettowinst min de brutowinst.
D
Afzet keer de verkoopprijs

Slide 5 - Quizvraag

Welke van de volgende kosten zijn Geen bedrijfskosten
A
Loonkosten
B
Huurkosten
C
Rentekosten
D
Inkoopwaarde

Slide 6 - Quizvraag

Het bedrag dat een bedrijf optelt bij de inkoopkosten noem je brutowinstopslag of brutowinstmarge.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quizvraag

In welk kwartaal was de nettowinst het laagst? Beantwoord op de volgende Slide. 

Slide 8 - Tekstslide

In welk kwartaal was de nettowinst het laagst? (bekijk het plaatje op de vorige slide)
A
1e kwartaal
B
2e kwartaal
C
3e kwartaal
D
4e kwartaal

Slide 9 - Quizvraag

Consumentenprijs berekenen
De verkoopprijs van een fiets is € 700 (excl. 21% BTW), bereken de consumentenprijs. 



Som: 700 ÷ 100 x 121 = € 847
€ 
700
x
?
%
100
1
121

Slide 10 - Tekstslide

De verkoopprijs van een laptop bedraagt € 1850 (ex btw). Bereken de consumentenprijs

Slide 11 - Open vraag

Een laptop kost € 723,- (incl. Btw.)
Hoe bereken je de prijs exclusief btw.
A
723 ÷ 100 x 21=
B
723 ÷ 100 x 89 =
C
723 ÷ 121 x 100 =

Slide 12 - Quizvraag

De consumentenprijs van een tros bananen is € 2,40 (9% btw). Hoeveel bedraagt de BTW in euro's?

Slide 13 - Open vraag

Kapitaal
Productiefactoren
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap

Slide 14 - Tekstslide

Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Sleep de beloningen naar de juiste plek.
ondernemersschap
natuur
arbeid
kapitaal
salaris
rente
pacht
huur
winst

Slide 15 - Sleepvraag

Afschrijving: (Aanschafwaarde - restwaarde) :aantal gebruiksjaren
Aanschaf € 700
Na 5 jaar € 20 
  • Waardeverlies = 680  

Slide 16 - Tekstslide

Afschrijving: (Aanschafwaarde - restwaarde) :aantal gebruiksjaren
Aanschaf € 700
Na 5 jaar € 20 
  • Afschrijving = (700 - 20) : 5 jaar = 136 euro per jaar

Slide 17 - Tekstslide

Een nieuwe machine kost € 135.000,- de restwaarde is ongeveer 30.000 euro na 6 jaar. Bereken de maandelijkse afschrijving.

Slide 18 - Open vraag

Vaste kosten
Dit zijn kosten die niet direct meegroeien als er meer producten worden gemaakt. 

Voorbeelden: 
Huur 
Rente op leningen
Afschrijving
(vast) personeel




Variabele kosten
Dit zijn kosten die direct meestijgen als er meer productie is. 

Voorbeelden
Grondstofkosten
Loonkosten
Transportkosten

Slide 19 - Tekstslide

Iddink drukt 50.000 schoolboeken per jaar. De vaste kosten bedragen 90.000 euro per jaar. De variabele kosten per schoolboek zijn € 8,50.
Hoe bereken je de kosten per schoolboek?
A
90.000 x 50.000 ÷ 8,50
B
90.000 x 50.000 ÷ 8,50
C
50.000 ÷ 90000 ÷ 8,50
D
90.000 ÷ 50.000 + 8,50

Slide 20 - Quizvraag

Iddink drukt 50.000 schoolboeken per jaar. De vaste kosten bedragen 90.000 euro per jaar. De variabele kosten per schoolboek zijn € 8,50.
Hoe bereken je de kosten per schoolboek?

Slide 21 - Open vraag

Op welke manier kan je de arbeidsproductiviteit niet verhogen?
A
Betere machine (kapitaalgoederen) aanschaffen
B
Arbeidsverdeling
C
Meer mensen aannemen
D
Scholing

Slide 22 - Quizvraag