Nevenschikkende voegwoorden

Nevenschikkende voegwoorden

1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 55 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Nevenschikkende voegwoorden

Lesdoelen


  1. Ik weet wat de woorden en, of, want, dus, maar betekenen.

  2. Ik kan deze woorden goed gebruiken in een zin.

en > opsomming

Ik eet brood en ik drink melk.



en:

і
و
iyo
û
እና

opsomming:

резюме
ملخص
soo koobid
berhevkirinî
መጠቃለሊ

of > een keuze

Wil je thee of wil je koffie?

of:

або
أو
ama
an
ወይ

keuze:

вибір
خيار
doorasho
helbijartî
ምርጫ

maar > een tegenstelling

Ik wil naar het feest, maar ik ben moe.

tegenstelling:

протиріччя
تناقض
khilaafid
naqok
ተጋራጫዊ ምዃኑ’ዩ።

maar:

але
لكن
laakiin
lebê
ግን

want > een reden

Ik kom niet naar school, want de bus rijdt niet.

want:

тому що
لأن
sababtoo ah
bo
ምኽንያቱ

een reden:

причина
سبب
sabab
sedemek
ምኽንያት እዩ።

dus > een gevolg

Ik ben moe, dus ik ga slapen.

dus

так 
لذا
sidaas
wiha
ስለዚ

een gevolg

наслідок 
نتيجة
cawaaqib xumo
encamek
ሳዕቤን እዩ።

Ik moet nu weg, ... ik heb een afspraak.

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Ik ben morgen vrij, ... ik ben heel blij!

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Ik wil graag een fatbike, ... ik heb geen geld.

A

en

B

maar

C

want

D

dus

Er staan twintig tafels ... twee kasten in de klas.

A

en

B

maar

C

want

D

of

Ik kan niet sporten, ... ik ben ziek.

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Wil je vanavond pizza ... patat eten?

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Ik heb een blessure, ... ik kan niet sporten.

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Ik houd van ijs, ... deze smaak vind ik niet lekker.

A

of

B

maar

C

want

D

dus

Zinnen maken met voegwoorden

Ik eet brood. Ik drink melk. >

Ik eet brood en ik drink melk.


Wil je thee? Wil je koffie? >

Wil je thee of wil je koffie?


Ik wil naar het feest. Ik ben moe.

Ik wil naar het feest, maar ik ben moe.


Ik ben moe. Ik ga slapen.

Ik ben moe, dus ik ga slapen.





Het voegwoord plakt de zinnen aan elkaar.

De volgorde van de zinnen verandert niet.

Uitzondering


Ik kom niet naar school. De bus rijdt niet.


Ik kom niet naar school, want de bus rijdt niet.


Ik kom niet naar school, omdat de bus niet rijdt.




Oefenen met In Vorm

Ga naar hoofdstuk 15 (blz. 105).


Opdracht 1, 4, 6, 9 en 11: We lezen samen de zinnen.


Opdracht 2, 3, 5, 7, 8, 10, 12 en 13:

Maak de opdrachten zelfstandig. Je mag overleggen.

Is het verschil tussen de voegwoorden duidelijk?



Ga naar LessonUp.

Invuloefening

Hij komt met de bus, want zijn fiets is gestolen.

Hij wil graag fietsen, maar zijn fiets is gestolen.

Zijn fiets is gestolen, dus hij moet met de bus.

Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto of de bus.

Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen en daarna pakt hij de trein.

want
maar
dus
of
en

en, of, maar, want, dus

Hij komt met de bus, ... zijn fiets is gestolen.


Hij wil graag fietsen, ... zijn fiets is gestolen.


Zijn fiets is gestolen, ... hij moet met de bus.


Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto ... met de bus.


Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen ... daarna neemt hij de trein.


en, of, maar, want, dus

Hij komt met de bus, want zijn fiets is gestolen.


Hij wil graag fietsen, maar zijn fiets is gestolen.


Zijn fiets is gestolen, dus hij moet met de bus.


Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto of met de bus.


Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen en daarna neemt hij de trein.


Hoe ging de les?