Nevenschikkende voegwoorden
Nevenschikkende voegwoorden
Lesdoelen
Ik weet wat de woorden en, of, want, dus, maar betekenen.
Ik kan deze woorden goed gebruiken in een zin.
en > opsomming
Ik eet brood en ik drink melk.
en:
і
و
iyo
û
እና
opsomming:
резюме
ملخص
soo koobid
berhevkirinî
መጠቃለሊ
of > een keuze
Wil je thee of wil je koffie?
of:
або
أو
ama
an
ወይ
keuze:
вибір
خيار
doorasho
helbijartî
ምርጫ
maar > een tegenstelling
Ik wil naar het feest, maar ik ben moe.
tegenstelling:
протиріччя
تناقض
khilaafid
naqok
ተጋራጫዊ ምዃኑ’ዩ።
maar:
але
لكن
laakiin
lebê
ግን
want > een reden
Ik kom niet naar school, want de bus rijdt niet.
want:
тому що
لأن
sababtoo ah
bo
ምኽንያቱ
een reden:
причина
سبب
sabab
sedemek
ምኽንያት እዩ።
dus > een gevolg
Ik ben moe, dus ik ga slapen.
dus
так
لذا
sidaas
wiha
ስለዚ
een gevolg
наслідок
نتيجة
cawaaqib xumo
encamek
ሳዕቤን እዩ።Ik moet nu weg, ... ik heb een afspraak.
of
maar
want
dus
Ik ben morgen vrij, ... ik ben heel blij!
of
maar
want
dus
Ik wil graag een fatbike, ... ik heb geen geld.
en
maar
want
dus
Er staan twintig tafels ... twee kasten in de klas.
en
maar
want
of
Ik kan niet sporten, ... ik ben ziek.
of
maar
want
dus
Wil je vanavond pizza ... patat eten?
of
maar
want
dus
Ik heb een blessure, ... ik kan niet sporten.
of
maar
want
dus
Ik houd van ijs, ... deze smaak vind ik niet lekker.
of
maar
want
dus
Zinnen maken met voegwoorden
Ik eet brood. Ik drink melk. >
Ik eet brood en ik drink melk.
Wil je thee? Wil je koffie? >
Wil je thee of wil je koffie?
Ik wil naar het feest. Ik ben moe.
Ik wil naar het feest, maar ik ben moe.
Ik ben moe. Ik ga slapen.
Ik ben moe, dus ik ga slapen.
Het voegwoord plakt de zinnen aan elkaar.
De volgorde van de zinnen verandert niet.
Uitzondering
Ik kom niet naar school. De bus rijdt niet.
Ik kom niet naar school, want de bus rijdt niet.
Ik kom niet naar school, omdat de bus niet rijdt.
Oefenen met In Vorm
Ga naar hoofdstuk 15 (blz. 105).
Opdracht 1, 4, 6, 9 en 11: We lezen samen de zinnen.
Opdracht 2, 3, 5, 7, 8, 10, 12 en 13:
Maak de opdrachten zelfstandig. Je mag overleggen.
Is het verschil tussen de voegwoorden duidelijk?
Ga naar LessonUp.
Invuloefening
Hij komt met de bus, want zijn fiets is gestolen.
Hij wil graag fietsen, maar zijn fiets is gestolen.
Zijn fiets is gestolen, dus hij moet met de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto of de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen en daarna pakt hij de trein.
en, of, maar, want, dus
Hij komt met de bus, ... zijn fiets is gestolen.
Hij wil graag fietsen, ... zijn fiets is gestolen.
Zijn fiets is gestolen, ... hij moet met de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto ... met de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen ... daarna neemt hij de trein.
en, of, maar, want, dus
Hij komt met de bus, want zijn fiets is gestolen.
Hij wil graag fietsen, maar zijn fiets is gestolen.
Zijn fiets is gestolen, dus hij moet met de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij komt met de auto of met de bus.
Zijn fiets is gestolen. Hij moet eerst naar het station lopen en daarna neemt hij de trein.
Hoe ging de les?