Schreiben A Formular ausfüllen + hören

♥lich Willkommen!
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMBOStudiejaar 4

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

♥lich Willkommen!

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Start
  • Herhaling hoofdletters
  • Schreiben A Formular ausfüllen

  • Oefening boek 

Slide 2 - Tekstslide

Am Ende der Stunde:
- Kun je een Duits formulier begrijpen en er zelf eentje invullen.
- Je kunt persoonlijke gegevens invullen in een standaardformulier.
- Je kunt hoofdletters en interpunctie goed gebruiken.



Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Wanneer gebruik je een hoofdletter?

Slide 5 - Woordweb

Hoofdlettergebruik in het Duits
Bekijk volgende zinnen:

  1. Wir lernen Deutsch in der Schule. 
  2. Heute macht Anna einen Schulausflug nach Berlin. 

Wat valt op 

Slide 6 - Tekstslide

Wanneer een hoofdletter:
1. Aan het begin van de zin. 
2. Namen, plaatsnamen, merken etc. 
3. Zelfstandige naamwoorden. 

Slide 7 - Tekstslide

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Slide 8 - Woordweb

Het zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die 'een zelfstandigheid' aanduiden; dat kunnen concrete zaken zijn als mensen (man, Ineke), dieren (paard) en dingen (huis, hout), maar ook plaatsen (Den Haag, Frankrijk) 

Zelfstandige naamwoorden kunnen meestal gecombineerd worden met een van de lidwoorden de, het of een: de kast, het geluk, een week, enz

Slide 9 - Tekstslide

Wel of geen hoofdletter?
A
die mutter
B
die Mutter

Slide 10 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
das pferd
B
das Pferd

Slide 11 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
zehn
B
Zehn

Slide 12 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
grün
B
Grün

Slide 13 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
berlin
B
Berlin

Slide 14 - Quizvraag

Wel of geen hoofdletter?
A
der junge
B
der Junge

Slide 15 - Quizvraag

In welke situaties vul je eigenlijk een formulier in?

Slide 16 - Open vraag

Welke zaken vul je zoal in op een formulier?

Slide 17 - Open vraag

Slide 18 - Tekstslide

Nachname

Slide 19 - Open vraag

anrede

Slide 20 - Open vraag

Fremdsprachen

Slide 21 - Open vraag

Stärken

Slide 22 - Open vraag

PLZ (Postleitzahl)

Slide 23 - Open vraag

ort

Slide 24 - Open vraag

Schulabschluss

Slide 25 - Open vraag

nebenjobs

Slide 26 - Open vraag

♥lich Willkommen!

Slide 27 - Tekstslide

Programma
  • Start
  • Schreiben B Notizen machen

  • Oefening boek 

Slide 28 - Tekstslide

Am Ende der Stunde:
Je kunt notities maken voor een ander.
Je kunt verschillende tijdsaanduidingen gebruiken.
Je kunt werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruiken.

Slide 29 - Tekstslide

Einleitung
Stel je voor: Je werkt op een camping of in een hotel en je moet een bericht doorgeven aan een Duitse gast. Of je bent op uitwisseling in Duitsland en je moet voor de gastvrouw opschrijven hoe laat je thuiskomt. In deze situaties moet je notities maken en moet je weten hoe je in het Duits in het kort informatie zoals datum, plaats en tijd kunt noteren.
Wist je dat...
je bij het maken van notities geen hele zinnen hoeft te schrijven?

Slide 30 - Tekstslide

Formular verstehen und ausfüllen


Aufgaben 1 t/m 8

Slide 31 - Tekstslide

Tijdsbepalingen

Na de dag en de maand zet je een punt:
12 mei: 12.05. 
van 1 t/m 3 juli: vom 1. bis zum 3. Juli 


Slide 32 - Tekstslide

Vertalingen maanden:
01. = Januar                                                      07. = Juli
02. Februar                                                       08.= August
03. März                                                             09.= September
04. = April                                                          10. = Oktober
05.= Mai                                                              11. = November
06.= Juni                                                             12. Dezember 

Slide 33 - Tekstslide

Verschil Uhr en Stunde
Bij kloktijden gebruik je Uhr
um zwei Uhr = om twee uur.

Bij tijdsduur gebruik je Stunde:
es dauert 4 Stunden = het duurt vier uur 

Slide 34 - Tekstslide

op= am

Bij de dagen van de week of de datum gebruik je am als vertaling voor op:
Am Mittwoch= op woensdag
Am 21. Juni= op 21 juni 

Slide 35 - Tekstslide

Overige tijdsuitdrukkingen 

Von Montag bis Freitag= van maandag tot vrijdag
In 2 Wochen = over 2 weken
Vor 2 Jahren = twee jaar geleden 

Slide 36 - Tekstslide

Dagen van de week
maandag= Montag
dinsdag= Dienstag
woensdag= Mittwoch
donderdag= Donnerstag
vrijdag= Freitag
zaterdag= Samstag
zondag= Sonntag 

Slide 37 - Tekstslide

Vertaal: van maandag tot vrijdag

Slide 38 - Open vraag

over drie weken

Slide 39 - Open vraag

vertaal: zeven jaar geleden

Slide 40 - Open vraag