Chapitre 3 - les 2

Chapitre 3 - Les bonnes affaires
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Chapitre 3 - Les bonnes affaires

Slide 1 - Tekstslide

Bloc B. Les baskets
Aan het einde van deze paragraaf kun je:

- een tekst over sneakers begrijpen.
-ken je woorden die te maken hebben met kleding.
-weet je hoe teksten worden opgebouwd.

Slide 2 - Tekstslide

Programme
Lire -  bloc B
het aanwijzend voornaamwoord bron D
au travail





Chap 3: Les bonnes affaires 

Slide 3 - Tekstslide

Inleiding:
Welke info krijg je?
Middenstuk:
Welke tussenkopjes zijn er? Waar gaan ze over?

Slide 4 - Tekstslide

Les chiffres:

Welke informatie geven de cijfers ons?

Faire exercice:  10 d

Fini? vous allez faire exercices ; 9, 10c, 11, 12a
timer
1:00

Slide 5 - Tekstslide

Les chiffres 0 - 1000

Slide 6 - Tekstslide

Tientallen
10= dix
20= vingt
30 = trente
40 = quarante
50 = cinquante
60 = soixante
70 = soixante-dix
80= quatre-vingts
90=quatre-vingt-dix
21,31,41,51,61,71 is met 'et' 
(vb. 61 soixante-et-un      71= soixante-et-onze)
81, 91   is alleen met - 
(vb. 81 quatre-vingt-un)

Slide 7 - Tekstslide

Notez

64
76
87
93


Slide 8 - Tekstslide

Notez

64=soixante-quatre
76=soixante-seize
87=quatre-vingt-sept
98=quatre-vingt-dix-huit

Slide 9 - Tekstslide

Exemple;

178
cent-soixante-dix-huit

734
sept-cent-trente-quatre

800
huit-cents

Slide 10 - Tekstslide

Notez

164
681
999
353


Slide 11 - Tekstslide

Notez

164 cent-soixante-quatre

681 six-cent-quatre-vingt-un

999 neuf-cent-quatre-vingt-dix-neuf

353 trois-cent-cinquante-trois


Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Het aanwijzend voornaamwoord

Slide 15 - Tekstslide

Wat is een aanwijzend voornaamwoord in het Nederlands?
A
de / het / een
B
mijn / jouw / onze / zijn
C
voor / na / tijdens / tegelijk
D
dit / dat / die / deze

Slide 16 - Quizvraag

Wat zou een aanwijzend voornaamwoord dan in het Frans zijn?
A
mon/ma/mes
B
le/la/les
C
ce/cet/cette/ces
D
un/une/des

Slide 17 - Quizvraag

Stappenplan 
Kijk naar het woord zelfstandig naamwoord

Meervoud? (eindigt  x/s?)             --> gebruik CES
           Vrouwelijk?                                     --> gebruik CETTE
Mannelijk?                                    --> gebruik CE
Mannelijk met een a/e/i/o/u/h --> gebruik CET

Slide 18 - Tekstslide

En nu even oefenen:

Slide 19 - Tekstslide

sleep de woorden naar het juiste aanwijzend vnw 
ce
cet
cette
ces
épinards
table (v)
chaise (v)
homme (m)
stylo (m)
devoirs
journaux

Slide 20 - Sleepvraag

______ salade (v)
A
cet
B
ce
C
ces
D
cette

Slide 21 - Quizvraag

______agenda [mannelijk]
A
cette
B
ces
C
ce
D
cet

Slide 22 - Quizvraag

chanteuses
A
ce
B
ces
C
cette
D
cet

Slide 23 - Quizvraag

garçons
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 24 - Quizvraag

______ soirée [vrouwelijk]
A
cette
B
cet
C
ce
D
ces

Slide 25 - Quizvraag

________ dame (v)
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 26 - Quizvraag

_______ émission (v)
A
cet
B
cette
C
ces
D
ce

Slide 27 - Quizvraag

_______ billet [mannelijk]
A
ce
B
ces
C
cette
D
cet

Slide 28 - Quizvraag

_____ livre [mannelijk]
A
Ce
B
Cet
C
Cette
D
Ces

Slide 29 - Quizvraag

Devoirs
Apprendre :  D

Réviser:  A + B

Faire exercices:  17 et 18

Oefenen met slim stampen:
Bloc A en B



Chap 3: Les bonnes affaires 

Slide 30 - Tekstslide

Les devoirs
mardi 14 mars 
contrôle
apprendre chapitre 3 A, B et D

Slide 31 - Tekstslide

la fin

  • vragen?

Slide 32 - Tekstslide

je kunt een tekst over sneakers begrijpen
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

je kent woorden die te maken hebben met kleding
😒🙁😐🙂😃

Slide 34 - Poll

je weet hoe teksten worden opgebouwd
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

je weet hoe je het aanwijzend voornaamwoord gebruikt
😒🙁😐🙂😃

Slide 36 - Poll

au revoir! 

Slide 37 - Tekstslide