Periode 2 spelling les 5 leestekens en klemtoon spellen

Periode 2 spelling les 4


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NaskMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Periode 2 spelling les 4


Waar komt dit water vandaan?   3.1 soorten water

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
In deze les ga je leren:
wanneer je leestekens schrijft en hoe klemtoon spellen werkt.

Leerdoelen van deze les;

Introductie, instructie en controle vragen over de les;
Aan de slag!



Slide 2 - Tekstslide

Noem de 9 werkwoorden waardoor er geen lijdend voorwerp in een zin kan zitten.

Slide 3 - Open vraag

Zit in deze zin een lijdend voorwerp?
De katten mauwen.

wie of wat + gezegde +onderwerp.
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quizvraag

Zit in deze zin een lijdend voorwerp?
Sanne schrijft een brief naar haar oma.

wie of wat + gezegde +onderwerp.
A
ja
B
nee

Slide 5 - Quizvraag

Kies de juiste spelling.

Wil je een .. stuk of hoef je geen ... traktatie?
A
groot/ enkel
B
grote/ enkele
C
groot/ enkele

Slide 6 - Quizvraag

leerdoelen:

Slide 7 - Tekstslide

leestekens:
In deze les ga je leren:


wanneer je een punt . gebruikt;
wanneer je een komma , gebruikt;
wanneer je een dubbele punt : gebruikt;
wanneer je een puntkomma ; gebruikt;
hoe je omgaat met leestekens bij citaten met ‘.

Slide 8 - Tekstslide

Leestekens in zinnen.
Elke zin in het Nederlands begint met een hoofdletter.

De meeste zinnen eindigen met een punt.
Gisteren liep ik naar huis.
Het regent.

Een zin kan ook eindigen met een uitroepteken of een vraagteken.
Daar heb ik zin in!
Wat bedoel je?

Daarnaast heb je de: , ; : '' 


Slide 9 - Tekstslide

Leestekens in zinnen: de komma

De komma gebruik je:
1. in opsommingen;
Ik eet graag patat, pizza en pannenkoeken.
Let op: voor ‘en’ of ‘of’ komt geen
komma.
2. voor voegwoorden;
Een komma gebruik je voor voegwoorden (omdat, daarom, tenzij, maar, want):
Ik koop patat, omdat we dat thuis nooit eten.
3. tussen twee persoonsvormen.
Een komma gebruik je tussen twee werkwoorden die niet bij elkaar horen:
Omdat ik nog geen zestien ben, mag ik nog geen brommer.


Slide 10 - Tekstslide

Leestekens in zinnen: de puntkomma
1. Een puntkomma is een wat grotere scheiding dan een komma en een wat kleinere scheiding dan een punt.

2. De stukken voor en na de puntkomma zouden ook elk een complete zin kunnen zijn.
Die game is het echt helemaal; vooral de designs zijn goed gelukt.

Eigenlijk heb je de puntkomma vaak niet echt nodig. Je kunt ook gewoon een punt gebruiken. Als je snel te lange zinnen schrijft, is dat zelfs beter.

Slide 11 - Tekstslide

Waar staan alle leestekens goed?
Maarten ging op tijd weg maar Kees niet hij had pech met z'n fiets
A
Maarten ging op tijd weg, maar Kees niet; hij had pech met z'n fiets.
B
Maarten ging op tijd weg. Maar Kees niet hij had pech met z'n fiets.
C
Maarten ging, op tijd weg, maar Kees niet hij had; pech met z'n fiets
D
Maarten ging op tijd weg, maar Kees niet; hij had pech met z'n fiets

Slide 12 - Quizvraag

Leestekens in zinnen: dubbele punt
Leestekens in zinnen: dubbele punt

Aankondiging volgend stukje tekst;
Aankondiging van een gedachte;
Aankondiging van een opsomming;
Aankondiging van een citaat;
Aankondiging van een verklaring of rede.




Slide 13 - Tekstslide

Leestekens in zinnen: dubbele punt
Een dubbele punt gebruik je om een volgend stukje tekst aan te kondigen:

een opsomming
een verklaring of reden
een gedachte
een citaat

Het aankondigen van een gedachte:
Toen dacht ik: houdt het dan nooit op?

Slide 14 - Tekstslide

Leestekens in zinnen: dubbele punt
Het aankondigen van een opsomming:

Ik heb voor mijn verjaardag veel nieuwe gadgets gekregen: een draadloze koptelefoon, een smartwatch en een nieuwe telefoon.

Het aankondigen van een citaat:

Omar zei: ‘Houdt het dan nooit op?’

Het aankondigen van een verklaring of reden:
Ik durf dat steegje echt niet in: het is veel te donker.

Slide 15 - Tekstslide

Zet de : op de goede plek.
Zo kom je op een volgend level energie maken, puzzels oplossen en pompen plaatsen.

Slide 16 - Open vraag

Leestekens bij citaten
1. Als je letterlijk weergeeft wat iemand gezegd heeft (= citeren), dan plaats je die tekst tussen aanhalingstekens. Zo'n tekst noem je een citaat.

Citaten houden in principe hun leestekens, zoals hoofdletter, komma en punt.

Joost zei: ‘Ik houd van appeltaart, maar niet van carrotcake.’

2. Als een citaat maar een stukje van een zin is, heb je geen hoofdletter en punt nodig.
Joost vertelde mij dat hij van ‘smeuïge appeltaart met citroen’ houdt.


Slide 17 - Tekstslide

Quiz
Waar staat de citaat goed?
Joost zei ik houd van appeltaart maar niet van carrotcake
A
'Joost zei': Ik houd van appeltaart, maar niet van carrotcake.
B
Joost zei: ‘Ik houd van appeltaart, maar niet van carrotcake.’
C
Joost zei ‘Ik houd van appeltaart, maar niet van carrotcake'.
D
Joost zei: ‘Ik houd van appeltaart maar niet van carrotcake’.

Slide 18 - Quizvraag

Quiz
Waar staat het citaat en andere leestekens goed?

Stef vertelde mij dat zij van een lekkere pizza houdt.
A
Stef vertelde mij dat zij van 'een lekkere pizza' houdt
B
Stef ' vertelde' mij dat zij van een lekkere pizza houdt.
C
Stef vertelde mij dat zij van een 'lekkere pizza' houdt.
D
Stef vertelde mij dat zij van 'een lekkere pizza' houdt.

Slide 19 - Quizvraag

Citaten onderbreken
1. Als je een citaat onderbreekt, gebruik je twee komma’s. Deze vallen buiten de aanhalingstekens.

‘Ik’, zei Joost, ‘houd van appeltaart.’

2. Als in het citaat een komma staat, heb je geen extra komma buiten de aanhalingstekens nodig.
‘Ik houd van appeltaart,’ zei Joost, ‘maar niet van carrotcake.’

Slide 20 - Tekstslide

In welke zin zijn alle leestekens goed gebruikt?
A
'Mijn kast staat vol sneakers,' zegt Sanne, 'ik kan namelijk niet op hakken lopen.'
B
'Mijn kast staat vol sneakers' zegt Sanne, 'ik kan namelijk niet op hakken lopen.'
C
'Mijn kast staat vol sneakers', zegt Sanne, 'ik kan namelijk niet op hakken lopen.'

Slide 21 - Quizvraag

Leestekens aan het einde van een citaat
1. Als er een vraag- of uitroepteken na het citaat komt, valt de punt van het citaat weg.
Zei Joost: ‘Ik houd van appeltaart’?
2. Als de zin doorloopt na het citaat, valt de punt van het citaat weg.
Uitroeptekens en vraagtekens blijven wel staan als de zin doorloopt na het citaat.
‘Houd jij ook van appeltaart?’ zei Joost.
‘Ik ben dol op appeltaart!’ riep Joost.



Slide 22 - Tekstslide

In welke zin zijn alle leestekens juist gebruikt?
A
Silvan: 'Ik snap er niks van'!
B
Maud: 'Yes, ik heb een voldoende!'
C
Dominique: 'Daar geloof ik dus helemaal niks van,'!
D
Yoran: 'Waar is de snackbar'?

Slide 23 - Quizvraag

Klemtoon spellen

In deze les ga je leren:

wanneer je een als één spelt;
wanneer je bij andere woorden de klemtoon in je spelling moet benadrukken.

Slide 24 - Tekstslide

Een of één?
‘Een’ kun je op twee manieren uitspreken:

als ‘un’       als ‘één’

Staat ‘een’ voor een zelfstandig naamwoord, dan moet je aangeven welke uitspraak je bedoelt.
Mag ik nog een blikje cola?   of   Mag ik nog één blikje cola?

Als ‘een’ los in een zin staat, zeg je ‘één’ en schrijf je ‘een’ zonder streepjes.


Slide 25 - Tekstslide

Klemtoon en betekenis
Sommige woorden hebben twee betekenissen, afhankelijk van waar de klemtoon ligt.

Weet jij of er nog gorilla’s in het wild voorkomen?
Ze worden nu gefokt om uitsterven te voorkomen.
Om duidelijk te maken welke betekenis je bedoelt, mag je extra accenten aanbrengen:
Weet jij of er nog gorilla’s in het wild vóórkomen?
Ze worden nu gefokt om uitsterven te voorkómen.

Slide 26 - Tekstslide

Kies het woord met de juiste klemtoon.

Ik heb de zon zien ondergaan/ ondergáán/ óndergaan.


A
ondergaan
B
ondergáán
C
óndergaan

Slide 27 - Quizvraag

Klemtoon en meervouds-en
1. Ligt de klemtoon op de laatste lettergreep? Dan komt er -en achter het woord. categorie + en = categorieën

2. Ligt de klemtoon niet op de laatste lettergreep? Dan komt er alleen een -n achter het woord. bacterie + n = bacteriën

In beide gevallen krijgt de laatste e in het woord een trema ¨.

Slide 28 - Tekstslide

Welk woord is goed, kijk waar de klemtoon ligt.
Hoeveel calorieën/ calorien/ caloriën zitten er in een stroopwafel?
A
calorieën
B
calorien
C
caloriën

Slide 29 - Quizvraag

Volgende les:
Werkwoordspelling:

Persoonsvorm tt;
Persoonsvorm vt;
Voltooid deelwoord;
voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruikt.

Slide 30 - Tekstslide

Aan het werk!
Wat? Oefenen in de spelingapp les 6 en 7
Waar? Plot 26 Blink
Hoe? Als het bord op rood staat werk je alleen en in stilte.
Als het bord op groen staat mag je fluisterend overleggen met je buurman. 
Heb je vragen? Steek je hand op en ik kom bij je. 
Klaar? Kijk het dan na!

timer
1:00

Slide 31 - Tekstslide


Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.
Dit is een open vraag.

Slide 32 - Open vraag


Stel een vraag over iets wat je 
nog niet zo goed hebt begrepen.
Dit is een open vraag.

Slide 33 - Open vraag