Leestekens in zinnen: de komma
De komma gebruik je:
1. in opsommingen;
Ik eet graag patat, pizza en pannenkoeken.
Let op: voor ‘en’ of ‘of’ komt geen komma.
2. voor voegwoorden;
Een komma gebruik je voor voegwoorden (omdat, daarom, tenzij, maar, want):
Ik koop patat, omdat we dat thuis nooit eten.
3. tussen twee persoonsvormen.
Een komma gebruik je tussen twee werkwoorden die niet bij elkaar horen:
Omdat ik nog geen zestien ben, mag ik nog geen brommer.