Hoe overleef ik mijn vakantie in Spanje? Clase 3

Hoe overleef ik mijn vakantie in Spanje? 
Clase 3
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Hoe overleef ik mijn vakantie in Spanje? 
Clase 3

Slide 1 - Tekstslide

El programa de hoy
  • Enquête: afstandsonderwijs
  • Los deberes de la última clase 
  • Ser (de)
  • Países, Lenguas y Nacionalidades
  • Países hispanohablantes
  • El verbo Ir
  • Medios de transporte
  • Platform Q-Highschool: checkpoint + doelen stellen & Memrise
  • Los deberes 

Slide 2 - Tekstslide

Los objetivos de la clase
Uitleg en oefenen met platform en memrise
Het werkwoord ser - waar kom je vandaan? (ser de)
Landen, talen en nationaliteiten
Het werkwoord ir 
Vocabulario: vervoersmiddelen


Slide 3 - Tekstslide

Afstandsonderwijs enquête
https://forms.office.com/pages/responsepage.aspx?id=EYwuLxBHd0aPVIuUya5--rDIoErqiZxAvoC3hn7FGINUNkRJOTkyTzI2WVMwU1VVRU44MDBIODlHRy4u&route=shorturl

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Link

Poster met highlights van je favoriete stad, gelukt?

Slide 6 - Tekstslide

Ser = zijn (ser de = komen uit)
yo
soy
eres
él, ella, usted
es
nosotros, nosotras
somos
vosotros, vosotras
sois
ellos, ellas, ustedes
son

Slide 7 - Tekstslide

Ser (de)
Ser = zijn (identiteit)
  • Soy italiano / italiana.
  • España es un país muy bonito.

Ser de = komen uit
  • Ellos son de Costa Rica
  • ¿De dónde eres? Soy de Holanda

Slide 8 - Tekstslide

0

Slide 9 - Video

¿De dónde eres?
¿De dónde es tu familia?

Slide 10 - Open vraag

Welke landen worden genoemd in het liedje?

Slide 11 - Open vraag

Slide 12 - Video

Slide 13 - Link

Slide 14 - Tekstslide

IR + en + vervoersmiddel
IR wordt in combinatie met en” gebruikt om aan te geven met welk vervoersmiddel wordt gereisd:
                                     Voy en coche. 
                                     Voy en bicicleta. 
                           
 MAAR: Voy pie (ik ga te voet).
  

Slide 15 - Tekstslide

Medios de transporte

Slide 16 - Tekstslide

Ir
Ir a + bestemming = gaan naar
  • Vamos a la playa.

Ir en + voertuig = gaan met
  • Voy en autobús.

Ir a + werkwoord = gaan doen (in de nabije toekomst)
  • Juan va a bailar

Slide 17 - Tekstslide

ir = gaan

Slide 18 - Tekstslide

IR
Kies de juiste vervoeging
Tú (ir)___ a España
A
va
B
vais
C
van
D
vas

Slide 19 - Quizvraag

IR
Kies de juiste vervoeging
Yo (Ir)___ a la playa
A
vay
B
voy
C
vo
D
va

Slide 20 - Quizvraag

IR
Kies de juiste vervoeging
Él (Ir)__ a bailar
A
ves
B
vas
C
ve
D
va

Slide 21 - Quizvraag

IR
Kies de juiste vervoeging
Vosotros (Ir)___ de compras
A
veis
B
vamos
C
vemos
D
vais

Slide 22 - Quizvraag

Ir en avión=
A
in het vliegtuig
B
met het vliegtuig gaan
C
wij gaan met het vliegtuig
D
het vliegtuig vliegt

Slide 23 - Quizvraag

Ir en bici=
A
te voet gaan
B
met de motor gaan
C
met de bus gaan
D
met de fiets gaan

Slide 24 - Quizvraag

Ir ... pie
A
a
B
en
C
de

Slide 25 - Quizvraag

Met de auto gaan=
A
Ir en moto
B
Ir a caballo
C
Ir en coche
D
Ir en barco

Slide 26 - Quizvraag

Ir en barco=
A
Met de boot gaan
B
Naar de bar gaan
C
Met de metro gaan
D
Wij zitten op de boot

Slide 27 - Quizvraag

Slide 28 - Link

Slide 29 - Link

Platform en memrise
Ga naar het platform van Q-Highschool:
https://q-highschool.wixsite.com/qhspaans/kopie-van-1-1-1-hola-qu%C3%A9-tal-3

https://app.memrise.com/course/6216333/q-highschool-spaans-11-vamos-a-hablar-espanol/


Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Link

Slide 32 - Link

Los deberes (huiswerk)
Schrijf een korte tekst of neem een filmpje op waarin je vertelt:
  • Hoe je heet
  • Hoe oud je bent
  • Waar je vandaan komt, waar je familie vandaan komt
  • Naar welk land je op vakantie gaat, met welk vervoersmiddel en wat je meeneemt
  • Begin en eindig met een groet

Slide 33 - Tekstslide

Tener = hebben
yo
tengo
tienes
él, ella, usted
tiene
nosotros
tenemos
vosotros
tenéis
ellos, ellas, ustedes
tienen

Slide 34 - Tekstslide

Tener
Tener = hebben
  • ¿Tenéis los pasaportes?
  • Tenemos vacaciones en julio y agosto.

Tener ... años = leeftijd
  • ¿Cuántos años tienes?
  • Mi abuelo tiene 89 años.

Slide 35 - Tekstslide