Waarnemen en Gedrag Les 3

Waarneming en Gedrag

Les 3 periode 4

1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Waarneming en Gedrag

Les 3 periode 4

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik vorige week
Je kunt de werking van zintuigen beschrijven en de relatie van het zintuigstelsel met het zenuwstelsel beschrijven.
Je kunt de delen van een oog beschrijven en hun functie toelichten
Je kunt de beeldvorming door ooglenzen beschrijven en de pupilreflex toelichten
Je kunt de bouw en werking van het netvlies beschrijven en toelichten hoe je diepte kunt zien

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het oog

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stereoscopie
  • De impulsen worden via je oogzenuw naar het gezichtscentrum in de hersenen geleidt. 
  • De oogzenuwen van beide ogen kruisen elkaar midden in de hersenen. Dit noemen we het optisch chiasma. 
  • De linker helft van je gezichtsveld wordt verwerkt in het rechtergezichtscentrum en vice versa
  • Omdat je 2 ogen hebt krijgen je hersenen 2 verschillende beelden binnen
  • Het verschil tussen de beelden gebruiken je hersenen om diepte te zien
  • Je hebt dus 2 ogen nodig om goed diepte te kunnen inschatten

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een nadeel van het de afname van het aantal kegeltjes in de ogen van de katten?
A
ze accomoderen minder goed
B
meer lichtinval
C
kunnen minder kleuren zien
D
er is geen stereoscopie

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op welke manier kun je géén diepte meer waarnemen, maar nog wel zien?
A
Met een beschadigde visuele schors in de linkerhersenhelft
B
Met een beschadigde visuele schors in de rechterhersenhelft
C
Een beschadigd optisch chiasma
D
Met zicht in nog maar één oog

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel nachtdieren hebben achter hun netvlies een laagje reflecterende cellen , genaamd 'tapetum lucidem'. Hierdoor lichten hun ogen op als je er bijvoorbeeld in het donker met een zaklamp in schijnt.

Wat is het nut van deze cellen?
A
Het helpt ze om beter te zien in het donker.
B
De reflectie in de ogen schrikt andere dieren af.
C
Het dient als bescherming tegen felle lichten.

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gedrag beschrijven

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  1. Je kunt toelichten wat gedrag is en hoe gedrag is ingedeeld
  2. Je kunt omschrijven wat ethologie inhoudt en hoe je gedrag kunt bestuderen.
  3. Je weet hoe je een ethogram en een protocol kunt maken.

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Studie van gedrag = ethologie
Alles objectief bekijken = alleen feiten!
We proberen gedrag te:
  • Kwalificeren: Wat?
  • Kwantificeren: Hoe vaak?


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ethologie

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ethologie
Ethologie = studie van het gedrag van dieren

Gedrag = alle waarneembare activiteiten van een dier of mens

Adequaat gedrag = gedrag dat de fitness van een dier vergroot

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prikkel en respons
Gedrag begint met prikkels.

Prikkels kunnen komen uit:
  • Externe omgeving (Geur van patat)
  • Interne omgeving (Honger gevoel)
De reactie van een dier of mens op prikkels noem je een respons

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Van prikkel tot handeling
Gedrag is opgebouwd uit opeenvolgende handelingen. Deze handelingen noemen we gedragselementen.

Je wordt wakker van de wekker - Je drukt de wekker uit - Je stapt uit bed - Je kleed je aan (gedrag: opstaan)

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedragsystemen
Gedragselementen met een gemeenschappelijk doel vormen samen een gedragssysteem.

Voorbeeld:
De gedragselementen eten zoeken, eten bereiden en eten vormen samen het gedragssysteem voedingsgedrag

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gedragsketen
Als gedrag uit een serie gedragselementen in een vaste volgorde bestaat noemen we dat een gedragsketen.

Een voorbeeld van een gedragsketen is baltsgedrag bij dieren. 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Black box
Frans de Waal
(primatoloog)

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Ethogram
Als je gedrag gaat bestuderen maak je eerst een ethogram
In een ethogram beschrijf je alle gedragselementen die je kunt bedenken en geef je ze een code. Zie rechts een voorbeeld van een ethogram --> objectief!!

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Protocol
Tijdens het bestuderen van gedrag maak je gebruik van een protocol. 

In een protocol noteer je om de zoveel seconden welk gedragselement je ziet. Je gebruikt voor het noteren de afkortingen die je hebt bedacht in je ethogram.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ethogram en Protocol

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke vragen kun je beantwoorden aan de hand van een protocol? Meerder antwoorden mogelijk.
A
Hoe vaak komt elk gedragselement voor?
B
Hoelang duurt ieder gedragselement?
C
Is er sprake van een gedragsketen?
D
Wat denkt een dier tijdens het gedrag?

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gedrag
Het doel van gedrag is overleven. Om te kunnen overleven als individu en als groep moet je je aanpassen aan de omgeving.

Dieren zorgen voor zichzelf. Ze maken steeds keuzes die beïnvloed worden door inwendige en uitwendige prikkels.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de aap?

Slide 30 - Tekstslide

Maak met de volgende dia's het verschil duidelijk tussen objectief observeren en subjectief (interpreteren).
Wat doet de aap?
Observaties:
- aap zit gehukt
- aap ontbloot tanden
- aap kijkt naar camera

bij een observatie beschrijf je alleen wat je ziet.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de aap?
Interpretaties:
- aap zit te poepen
- aap lacht
- aap wil graag op de foto

Bij een interpretatie geef je zelf betekenis aan gedrag

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke observaties doe je van deze hond?

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maken

Opdracht: 23 t/m 28

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies