Enzymen en biotechnologie (Biologie havo), les 2: Examentraining

STOFWISSELING · ENZYMEN

Examentraining

Enzymen en biotechnologie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: een optimumkromme lezen, een onderzoek opzetten, temperatuur en pH verklaren en biotechnologie toelichten, elk met twee vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

STOFWISSELING · ENZYMEN

Examentraining

Enzymen en biotechnologie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jim Peaco, National Park Service / Wikimedia Commons, publiek domein

STOFWISSELING · ENZYMEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan in een situatie met een grafiek, onderzoek of toepassing de werking van enzymen en biotechnologie beschrijven en verklaren.

Deze slide heeft geen instructies

STOFWISSELING · ENZYMEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is gegeven (grafiek, tabel, proef) en welk examenwerkwoord staat in de vraag?

  • 2. Zoek: de gegevens die je nodig hebt, zoals het hoogste punt of de kleur van de indicator.

  • 3. Koppel: het gegeven aan een begrip: enzym-substraatcomplex, optimum of metabolisme.

  • 4. Schrijf: een kort antwoord met een reden, en controleer of je de vraag beantwoordt.

Deze slide heeft geen instructies

Enzymactiviteit bij verschillende temperaturen (eigen gegevens)

STOFWISSELING · ENZYMEN

Vraagtype 1: een optimumkromme lezen

  • Het optimum is het hoogste punt van de optimumkromme.

  • Lees bij dat punt de temperatuur of de pH af op de horizontale as.

  • Voorbeeld: enzym A heeft zijn hoogste punt bij 37 °C, dus het optimum is 37 °C.

  • Bij 'verklaar' of 'leg uit' geef je ook de reden.

Image credit: Eigen grafiek (LessonUp), CC0

Enzym X: 30% bij 20 °C, 100% bij 40 °C, 0% bij 60 °C. Wat is het optimum?

A

40 °C

B

20 °C

C

60 °C

D

100 °C

Het hoogste punt, 100%, ligt bij 40 °C. Verwachte fout: 100 kiezen: dat is de activiteit, niet de temperatuur.

Trypsine (optimum pH 8): activiteit bij pH 2?

Antwoord: heel laag of nul, want pH 2 ligt ver van het optimum van trypsine. Verwachte fout: zeggen dat het enzym bij elke pH even goed werkt.

STOFWISSELING · ENZYMEN

Vraagtype 2: een onderzoek opzetten (A5)

  • Bij een onderzoek verander je één factor en houd je de rest gelijk.

  • Je meet wat er gebeurt, bijvoorbeeld met jodium als indicator voor zetmeel.

  • Blauwzwart: er is nog zetmeel. Geelbruin: het zetmeel is afgebroken door amylase.

  • Trek een conclusie die past bij je meting, niet meer en niet minder.

Deze slide heeft geen instructies

Je onderzoekt het effect van temperatuur op amylase. Wat houd je gelijk?

A

De temperatuur van elk buisje

B

De pH en de hoeveelheid zetmeel

C

De uitkomst van de jodiumtest

D

Niets, alles mag verschillen

Je verandert alleen de temperatuur; pH, hoeveelheid zetmeel en amylase houd je gelijk. Verwachte fout: de temperatuur gelijk houden: dat is juist wat je varieert.

20 °C blauwzwart, 37 °C geelbruin: conclusie?

Antwoord: amylase breekt zetmeel bij 37 °C sneller af dan bij 20 °C. Verwachte fout: zeggen dat amylase bij 20 °C niet werkt: dat blijkt niet uit de meting.

Enzymactiviteit bij verschillende pH-waarden (eigen gegevens)

STOFWISSELING · ENZYMEN

Vraagtype 3: temperatuur en pH verklaren

  • Een enzym werkt het best bij zijn eigen optimum.

  • Menselijke enzymen hebben hun optimum bij ongeveer 37 °C.

  • Enzymen van bacteriën uit hete bronnen hebben een hoger temperatuuroptimum.

  • Vergelijk altijd de gegeven waarde met het optimum.

Image credit: Eigen grafiek (LessonUp), CC0

Enzym uit een hete bron, optimum 70 °C. Wat verwacht je bij 50 °C?

A

Dezelfde activiteit als bij 70 °C

B

Geen activiteit meer

C

Een hogere activiteit dan bij 70 °C

D

Een lagere activiteit dan bij 70 °C

Onder het optimum werkt het enzym trager, maar het is niet beschadigd. Verwachte fout: denken dat het enzym buiten het optimum niet meer werkt.

Waarom werken je enzymen goed bij 37 °C?

Antwoord: 37 °C is de lichaamstemperatuur en ligt bij het temperatuuroptimum van menselijke enzymen. Verwachte fout: zeggen dat enzymen bij hogere temperatuur beter werken.

Een insulinepen

STOFWISSELING · ENZYMEN

Vraagtype 4: biotechnologie toelichten

  • Noem het micro-organisme en wat het maakt.

  • Bij recombinant-DNA heeft het micro-organisme een extra gen gekregen.

  • In een bioreactor worden temperatuur, pH, zuurstof en voedingsstoffen geregeld.

  • Leg bij 'licht toe' uit waarom dat nodig is.

Image credit: Marius Vassnes / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Wat is er veranderd in een bacterie die insuline maakt?

A

Ze heeft een extra gen voor insuline gekregen

B

Haar enzymen zijn vervangen door insuline

C

Ze is gekruist met een menselijke cel

D

Haar pH-optimum is veranderd

Door recombinant-DNA bevat de bacterie het menselijke insulinegen. Verwachte fout: denken dat de bacterie menselijke cellen bevat.

Noem twee dingen die een bioreactor regelt.

Antwoord: bijvoorbeeld temperatuur en pH (ook zuurstof of voedingsstoffen). Verwachte fout: alleen temperatuur noemen of het product noemen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een optimumkromme lezen

2

Een onderzoek opzetten

3

Temperatuur en pH verklaren

4

Biotechnologie toelichten

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

STOFWISSELING · ENZYMEN

Tips voor op het examen

  • Het optimum is het hoogste punt van de kromme: lees de waarde af op de horizontale as.

  • Een enzym wordt niet verbruikt: noem het nooit een van de producten.

  • Bij een onderzoek verander je één factor en houd je de rest gelijk.

  • Noem bij biotechnologie altijd het micro-organisme en wat het maakt.

Deze slide heeft geen instructies