STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Examentraining
Dissimilatie en enzymen: zo pak je examenvragen aan
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Examentraining
Dissimilatie en enzymen: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Stephen Craven / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan bij een grafiek, schema, tabel of reactievergelijking over dissimilatie en enzymen de juiste stappen volgen en mijn antwoord onderbouwen.
Deze slide heeft geen instructies
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een optimumkromme, een reactievergelijking, een schema of een tabel?
2. Zoek: gaat het om gisting, aerobe dissimilatie, enzymwerking of een onderzoek?
3. Koppel: verbind stoffen, plaats en voorwaarden (zuurstof, temperatuur, pH) aan dat onderdeel.
4. Schrijf: geef een kort antwoord met het juiste begrip en onderbouw het met een gegeven uit de bron.
Deze slide heeft geen instructies
Grand Prismatic Spring in Yellowstone: de kleuren komen van hittetolerante bacteriën
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Vraagtype 1: optimumkromme lezen
Lees eerst de assen en eenheden: hier temperatuur in °C en enzymactiviteit in procenten.
Het optimum is het hoogste punt van de kromme.
Lees waarden af bij een gridlijn en vergelijk de krommen bij dezelfde temperatuur.
Enzym P komt uit een bodembacterie, enzym Q uit een bacterie in een warme bron.
Image credit: Jim Peaco, National Park Service / Wikimedia Commons, publiek domein
Bij welke temperatuur werken enzym P en enzym Q even snel?
40 °C
30 °C
50 °C
60 °C
De krommen kruisen bij 40 °C, waar beide 60% van hun maximum halen. Verwachte fout: 30 of 50 kiezen, de optima van P en Q. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Hoeveel keer zo actief is enzym P als enzym Q bij 20 °C?
1,5 keer
3 keer
0,5 keer
2 keer
P heeft bij 20 °C 70%, Q 35%: 70 : 35 = 2. Verwachte fout: de verhouding omdraaien (0,5 keer). Image credit: Eigen schema, LessonUp
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Vraagtype 2: reactievergelijking
Tel per atoomsoort (C, H en O) links en rechts van de pijl: de aantallen moeten gelijk zijn.
Een getal voor een formule vermenigvuldigt alle atomen in die formule.
Bij gisting ontstaan twee moleculen van het eindproduct per glucose.
Rekenen met mol: de verhouding van de getallen in de vergelijking blijft gelijk.
Deze slide heeft geen instructies
Welke vergelijking van alcoholgisting is kloppend?
C6H12O6 geeft C2H5OH + CO2 + energie
C6H12O6 geeft 2 C2H5OH + 2 CO2 + energie
C6H12O6 geeft 2 C2H5OH + 4 CO2 + energie
C6H12O6 + 6 O2 geeft 2 C2H5OH + 2 CO2 + energie
Goed: rechts 4 + 2 = 6 C, 12 H en 2 + 4 = 6 O. De tweede heeft rechts maar 3 C, de derde 8 C, de vierde heeft links extra zuurstof (O2) en klopt niet voor O. Verwachte fout: de vergelijking van aerobe dissimilatie met gisting mengen.
Hoeveel mol O2 is nodig voor 2 mol glucose?
Antwoord: 12 mol. Per mol glucose is 6 mol O2 nodig, dus 2 x 6 = 12. Verwachte fout: 6 noemen, de waarde voor één mol glucose.
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Vraagtype 3: schema met stappen
Volg de pijlen: het nummer hoort bij de stap, niet bij een stof.
Zonder zuurstof loopt de route van glycolyse naar gisting.
Met zuurstof loopt de route naar de citroenzuurcyclus en de oxidatieve fosforylering.
Vraag per stap: wat gaat erin, wat komt eruit en is zuurstof nodig?
Deze slide heeft geen instructies
Bij welke stap ontstaat de meeste ATP?
Stap 4
Stap 1
Stap 2
Stap 3
De meeste ATP ontstaat in de oxidatieve fosforylering (stap 4). Verwachte fout: stap 1 kiezen omdat de glycolyse ATP levert, of stap 3. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Bij welke stap wordt zonder zuurstof NADH weer NAD+?
Stap 1
Stap 3
Stap 2
Stap 4
Bij gisting (stap 2) geeft NADH elektronen en protonen af, zodat NAD+ ontstaat. In stap 1 gebeurt het omgekeerde: NAD+ wordt NADH. Verwachte fout: stap 1. Image credit: Eigen schema, LessonUp
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Vraagtype 4: onderzoek evalueren
Zoek de gemeten factor (hier de tijd) en de factor die steeds verandert (de temperatuur).
Een korte tijd betekent een hoge enzymactiviteit.
Het optimum ligt rond de snelste uitkomst, tussen de buurpunten.
Een controle laat zien dat het enzym het verschil veroorzaakt.
Deze slide heeft geen instructies
Tussen welke temperaturen ligt het optimum volgens de proef?
Onder 30 °C
Tussen 30 en 50 °C
Tussen 50 en 60 °C
Boven 60 °C
Bij 40 °C is de tijd het kortst (2 min), bij 30 en 50 °C is hij langer. Het optimum ligt dus tussen 30 en 50 °C. Verwachte fout: 60 °C kiezen omdat daar het zetmeel niet meer wordt afgebroken, maar dat is denaturatie. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welk extra buisje is de juiste controle bij deze proef?
Zetmeel met dubbel zoveel amylase
Zetmeel met amylase bij 70 °C
Zetmeel met amylase in een donkere kast
Zetmeel met jodium, zonder amylase
De controle is dezelfde proef zonder enzym: dan moet het jodium blauwzwart blijven. De andere buisjes veranderen een factor. Verwachte fout: een extra temperatuur kiezen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Optimumkromme lezen
Reactievergelijking
Schema met stappen
Onderzoek evalueren
Bespreek het gekozen vraagtype na met een voorbeeld uit de les.
STOFWISSELING · DISSIMILATIE
Tips voor op het examen
Tel bij een reactievergelijking altijd de atomen links en rechts.
Bij een optimumkromme: lees eerst de assen en zoek dan het hoogste punt.
Zonder zuurstof stopt na de glycolyse alles bij gisting; met zuurstof volgen citroenzuurcyclus en oxidatieve fosforylering.
Een controle is dezelfde proef zonder de factor waar het om gaat.
Deze slide heeft geen instructies