Hoofdletters en leestekens

Nieuw Nederlands
Hoofdstuk 1 Spelling
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Nieuw Nederlands
Hoofdstuk 1 Spelling

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud van de les
- uitleg over leestekens en hoofdletters
- samen oefenen
- zelf aan de slag met opdracht 1 t/m 3 en 5

Slide 2 - Tekstslide

Leestekens en hoofdletters
Leestekens en hoofdletters zorgen ervoor dat een tekst beter te lezen is en leestekens voorkomen misverstanden.

Als je een leesteken vergeet, maak je een interpunctiefout.
Als je een hoofdletter vergeet (of verkeerd gebruikt, maak je een spelfout.

Slide 3 - Tekstslide

Leestekens en hoofdletters
Hoofdletters schrijf je altijd aan het begin van een zin.

Een zin eindigt altijd met een punt, uitroepteken of vraagteken.


Slide 4 - Tekstslide

Leestekens en hoofdletters
Plak liever niet meer dan twee zinnen aan elkaar en gebruik daarbij een voegwoord.

Het voegwoord kan aan het begin van de zin staan of midden in de zin.

Slide 5 - Tekstslide

Schrijf over. Zet leestekens waar dat moet.

Als het pijn doet geef je maar een gil

Slide 6 - Open vraag

Schrijf over. Zet leestekens waar dat moet.

ik ga niet naar school want ik ben schoolziek

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Tekstslide

Hoofdletters
  • aan het begin van een zin
  • bij namen (Michel, Utrecht, Kruidvat, Pasen)
  • bij woorden afgeleid van aardrijkskundige namen
       (Amsterdamse)

Géén hoofdletter bij namen van dagen, maanden, seizoenen en windstreken

Slide 9 - Tekstslide

Punt, vraagteken, uitroepteken: 
  • aan het einde van een zin.

-> Ik ben mijn pen vergeten.
-> Heb je een pen voor mij?
-> Pas op voor die bal!


Slide 10 - Tekstslide

Komma
  •  tussen delen van een opsomming
                                -> Ik heb cola, chips en Red Bull.
  • na een naam of uitroep aan het begin van een zin
                                -> Yasmin, waar is je broer?
  • in een samengestelde zin
      - tussen twee persoonsvormen
                                -> Als jij de hond uitlaat, zet ik thee.
     - voor een voegwoord, zoals maar, nadat, omdat, want
                                -> De jongen is blij, want hij heeft een PS5 gekocht.

Slide 11 - Tekstslide

Komma
Let op:
gebruik nooit een komma voor het woord en. 

Slide 12 - Tekstslide

Dubbele punt en aanhalingstekens
  • Bij een citaat
                      ->  Mees riep: 'Kijk uit voor die fietser!'
                      -> 'We halen een hond uit het asiel', zei Imke.
                      -> 'Spelen we vandaag uit of thuis?' vroeg hij aan de
                            trainer.
  • Ook bij citeren van een zin gebruik je aanhalingstekens.
                       ->  'Mees riep (...) die fietser'

Slide 13 - Tekstslide

Maanden en dagen schrijf je met hoofdletter.
A
Goed
B
Fout

Slide 14 - Quizvraag

Wanneer gebruik je géén hoofdletter?
A
Namen van feestdagen
B
Namen van jaargetijden
C
Namen van personen
D
Namen van bedrijven

Slide 15 - Quizvraag

Welk woord hoort niet met een hoofdletter geschreven te worden?
A
Terschelling
B
Rucphen
C
Bosheidestraat
D
Noorden

Slide 16 - Quizvraag

Welk woord hoort met een hoofdletter?
A
januari
B
maandag
C
amsterdam
D
herfst

Slide 17 - Quizvraag

Wanneer gebruik je géén hoofdletter?
A
Namen van winkels
B
Familienamen
C
Namen van maanden
D
Namen van musea

Slide 18 - Quizvraag

Schrijf je maanden in je e-mail (bv bij plaats, datum) met een hoofdletter?
A
Ja altijd!
B
Nee nooit!

Slide 19 - Quizvraag

Welk woord hoort niet met een hoofdletter geschreven te worden?
A
Duitse
B
Kerst
C
Zuid-Frankrijk
D
Kerstmis

Slide 20 - Quizvraag

Welke zin is correct geschreven, lettend op leestekens en hoofdletters?
A
'Zullen we morgenavond om zeven uur afspreken? vroeg Layla.
B
'Zullen we morgenavond om zeven uur afspreken?' vroeg Layla.

Slide 21 - Quizvraag

Welke zin is correct geschreven, lettend op leestekens en hoofdletters.
A
Mijn trainer zei jij mag meetrainen met de selectie.
B
Mijn trainer zei: 'Jij mag meetrainen met de selectie.'
C
Mijn trainer zei: 'jij mag meetrainen met de selectie.'

Slide 22 - Quizvraag

Welke zin is correct geschreven, lettend op leestekens en hoofdletters?
A
De dj zei: 'zo'n grote opkomst had ik niet verwacht.'
B
de dj zei: 'Zo'n grote opkomst had ik niet verwacht.'
C
De dj zei: 'Zo'n grote opkomst had ik niet verwacht'.
D
De dj zei: 'Zo'n grote opkomst had ik niet verwacht.'

Slide 23 - Quizvraag

Zelf aan de slag
Maak opdracht 1 t/m 3 en 5 van 
H1 Taalverzorging Spelling
blz. 30 en 31

Slide 24 - Tekstslide