D2BTh4 B4 Bloedvaten - lln

D2BTh4 --  B4: Bloedvaten  Boek 2B vanaf blz. 17 
Werkboek vanaf blz. 13: Maak opdr. 12 en 13
Info gebruikt van:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 2

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

D2BTh4 --  B4: Bloedvaten  Boek 2B vanaf blz. 17 
Werkboek vanaf blz. 13: Maak opdr. 12 en 13
Info gebruikt van:
Malmberg methode Biologie en verzorging voor jou
Biologiepagina.nl
Bioplek.org
Biologieweb.nl
e.a. 

Slide 1 - Tekstslide

Bloedvaten, wat weet jij daarvan?

Slide 2 - Woordweb

Eerst even herhalen wat je weet

Slide 3 - Tekstslide

Herhaling
B1 t/m B3

Slide 4 - Tekstslide

Bloedplasma
Vaste
bestanddelen
7 % Eiwitten 
91 % Water
2 % Opgeloste stoffen
Bloedplaatjes
Witte bloedcellen
Rode bloedcellen
Samenstelling van het bloed:
 55 % bloedplasma + 45 % vaste bestanddelen
Bloedplasma bestaat uit eiwit / water en opgeloste stoffen.
In het bloedplasma zweven de vaste bestanddelen
plasmadonor
Plasmadonor:  Wel zo’n 100 verschillende ziekten kunnen worden behandeld met eiwitten uit bloed van plasmadonors.  Het bloed van een patient stolt bijvoorbeeld niet of de patients mist eitwit waardoor infecties de patient (erger) ziek maken. De minimale leeftijd om plasmadonor te worden is 18 jaar. Ook voor het doneren van bloed moet je 18 jaar zijn.

Slide 5 - Tekstslide

Bloedplasma
Vaste
bestanddelen
7 % Eiwitten 
91 % Water
2 % Opgeloste stoffen
Bloedplaatjes
Witte bloedcellen
Rode bloedcellen
Vertel wat je weet

Slide 6 - Tekstslide

zuurstofarm
zuurstofrijk
Vertel wat je weet

Slide 7 - Tekstslide

.......................: Boven
              : Kelder
Ezelsbruggetje:
4 belangrijke ruimtes die je moet kennen.

Slide 8 - Tekstslide

Kleine bloedsomloop
Leren en volgende slide vertellen

Slide 9 - Tekstslide

Kleine bloedsomloop
Vertel wat je weet

Slide 10 - Tekstslide

Grote bloedsomloop
Leren en vertellen bij volgende slide

Slide 11 - Tekstslide

Grote bloedsomloop
Vertel wat je weet

Slide 12 - Tekstslide

Ziek of afwezig of herhaling uitleg?
Kijk 
het uitleg-filmpje 
(4,5 minuten)

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Bloedvaten
Door je bloedvaten stroomt het bloed naar al je cellen in je lichaam.

Er zijn 3 soorten bloedvaten:

- slagaders  : transport bloed van hart af
- haarvaten : dunne bloedvaatjes in al je 
                     organen
- aders        : transport bloed naar het hart 
                     toe


Slide 15 - Tekstslide

Drie type bloedvaten





1 ader                        2 haarvaten                 3 slagader

Slide 16 - Tekstslide

zuurstofarm
zuurstofrijk

Slide 17 - Tekstslide

Slagaders
Het hart pompt bloed de slagaders in. 
Dat gaat met behoorlijk wat kracht. 
Het bloed drukt daardoor hard tegen de wand van een slagader aan. Daarom is de bloeddruk in de slagaders hoog. 
De wanden van de slagaders zijn dik, stevig en elastisch. 
Ze kunnen heel wat druk hebben.
De slagaders liggen meestal diep in je lichaam. Dat is veilger want als een slagader stuk gaat, komt er veel bloed vrij.
- lopen van het hart af.
- hebben een gespierde wand
- de bloeddruk is hoog
- liggen vaak diep in het lichaam

Slide 18 - Tekstslide


Bevatten slagaders zuurstofrijk bloed?
longslagader niet
A
ja
B
nee
C
bijna altijd

Slide 19 - Quizvraag

Haarvaten

De slagaders vertakken in de organen tot steeds kleindere bloedvaten. De wand wordt steeds dunner.


Als een wand maar 1 cel dik is, noem je dat bloedvat een haarvat. De bloeddruk is in een haarvat heel laag. 

Omdat de wand zo dun is, kan er vocht met zuurstof en voedingsstoffen doorheen naar de cellen.


De cellen geven vocht met koolstofdioxide en afvalstoffen af aan het bloed in het haarvat. 


De haarvaten komen samen in grotere bloedvaten. 
Die bloedvaten noem je aders. 
- zijn maar 1 cellaag dik
- vormen een netwerk
- de bloeddruk is laag
- er vindt uitwisseling plaats van stoffen

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Haarvaten, 1 cel dik .... daar kan wat doorheen.....
lichaamscellen
lichaamscellen

Slide 22 - Tekstslide


Een bloedvat is
1 cel dik.
Wat is NIET waar?
A
hierdoor kan vocht met zuurstof
B
hierdoor kan vocht met koolstofdioxide
C
hierdoor kunnen voedingsstoffen
D
hierdoor kan een stukje spaghetti

Slide 23 - Quizvraag

Aders
Door de aders stroomt het bloed van de organen weg terug naar het hart. Het hart zuigt het bloed in de aders naar zich toe.

- lopen naar het hart toe
- de bloeddruk is laag
- de wanden zijn minder gespierd dan bij de 
  slagaders
- liggen minder diep in je lichaam dan de
  slagaders
- bevatten vaak aderkleppen

Aderkleppen zorgen ervoor dat 
het bloed in de aders niet terugstroomt naar de organen.

Slide 24 - Tekstslide

Slagaders
Haarvaten
Aders
Gespierde wand
1 cellaag dik
'Dunne' wand, weinig gespierd
Vervoert bloed 
van hart af
Heeft kleppen

Slide 25 - Sleepvraag

Slide 26 - Video

Welke bloedvaten zijn op de foto zichtbaar?
A
slagaders
B
haarvaten
C
aders
D
de aorta

Slide 27 - Quizvraag

Spierpomp

Spieren spelen een rol 
bij het verplaatsen van het bloed in de aders in de richting van het hart.

Slide 28 - Tekstslide

welke drie soorten bloedvaten zijn er?
A
Aorta, slagaders en aders
B
Aorta, aders en haarvaten
C
Aorta, slagaders en haarvaten
D
Slagaders, aders en haarvaten

Slide 29 - Quizvraag


Bevatten slagaders zuurstofrijk bloed?
A
ja
B
nee
C
meestal wel maar soms niet

Slide 30 - Quizvraag


Een bloedvat is
1 cel dik.
Wat is NIET waar?
A
hierdoor kan vocht met zuurstof
B
hierdoor kan vocht met koolstofdioxide
C
hierdoor kunnen voedingsstoffen
D
hierdoor kan een stukje spaghetti

Slide 31 - Quizvraag

Slagaders
Haarvaten
Aders
Gespierde wand
1 cellaag dik
'Vervoert bloed naar het hart toe
Vervoert bloed 
van hart af
Heeft kleppen
Hier vindt gaswisseling plaats

Slide 32 - Sleepvraag

Welke bloedvaten zijn op de foto zichtbaar?
A
slagaders
B
haarvaten
C
aders
D
de aorta

Slide 33 - Quizvraag


Je kunt je hartslag meten bij je pols.
Dit is een voorbeeld van een
A
aorta
B
slagader
C
ader
D
haarvat

Slide 34 - Quizvraag


Bloedvat:
Wat geeft
nummer 2 aan?
A
een slagader
B
een ader
C
een haarvat

Slide 35 - Quizvraag


Wat is er bijzonder aan de longader?
A
De bloeddruk is er hoog
B
Hij loopt van het hart af
C
Hij bevat zuurstofrijk bloed
D
Hij heeft een gespierde wand

Slide 36 - Quizvraag


In welke bloedvaten is
de bloeddruk laag?
A
In haarvaten en aders
B
alleen in aders
C
alleen in haarvaten
D
in slagaders

Slide 37 - Quizvraag

In welke bloedvaten worden stoffen in het bloed opgenomen en aan organen afgegeven?
A
aders
B
haarvaten
C
slagaders
D
de holle aders

Slide 38 - Quizvraag

Door welke bloedvaten stroomt het bloed vanuit je lichaam terug naar het hart?
A
Aders
B
Haarvaten
C
Slagaders
D
de aorta

Slide 39 - Quizvraag

Wat is waar?

1. Slagaders: wand dik, bloeddruk hoog
2. Aders: kleppen in armen en benen
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 40 - Quizvraag

Wat is waar?

1. Slagaders: bloed van hart af
2. Aders: dun en weinig elastische wand
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 41 - Quizvraag

Slagaders
Aders
Naar het hart toe
Van het hart af
Dikke gespierde wand
Dunne slappe wand
Kleppen over de gehele lengte
Kleppen alleen bij het hart
Bloed stroomt snel
Bloed stroomt langzaam

Slide 42 - Sleepvraag

Wat is waar?
1. Aders: bloeddruk laag
2. Slagaders: dik, stevige, elastische wand
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 43 - Quizvraag

Wat is waar?
1. Aders: bloed stroomt weg van de organen
2. Slagaders: liggen meestal diep in het lichaam
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 44 - Quizvraag

Wat is waar?
1 Bij een aderlijke bloeding stroomt meer bloed weg dan bij
een slagaderlijke bloeding
2 Bloeddruk wordt veroorzaakt doordat het hart bloed
wegpompt
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 45 - Quizvraag


Wat zie je in de onderste afbeelding
A
slagaders
B
hartkleppen
C
goed werkende aderkleppen
D
slecht werkende aderkleppen

Slide 46 - Quizvraag

Ader, waarheen stroomt het bloed?

Slide 47 - Open vraag

Wat is de bloeddruk?

Slide 48 - Open vraag

Waarheen stroomt het bloed door een slagader?

Slide 49 - Open vraag

Hoe dik is een haarvat?

Slide 50 - Open vraag