Z&W les 5

Z&W les 5
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
Zorg en WelzijnMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Z&W les 5

Slide 1 - Tekstslide

Aanwezigheidsregistratie
Aanwezigheid zal door de docent aan het begin van de les geregistreerd worden. 

Ben je te laat?
Aan het eind van de les is het JOUW verantwoordelijkheid om bij de docent aan te geven dat je te laat was zodat dit aangepast wordt in SOM2day. 

Slide 2 - Tekstslide

Lesprogramma
  • Aanwezigheidsregistratie
  • Lesprogramma
  • Lesdoelen
  • Facilitaire dienst
  • Aan de slag!
  • Nabespreken

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoelen
Doelen voor deze les:

  • Ik weet wat de facilitaire dienst doet in een organisatie.
  • Ik weet het verschil tussen een profit- en een non-profitorganisatie.
  • Ik werk samen en voer een praktische opdracht uit die bij de facilitaire dienst past.






Slide 4 - Tekstslide

Vandaag gaan we..
We gaan het vandaag hebben over facilitaire dienstverlening. Dat klinkt  misschien ingewikkeld, maar je komt het elke dag tegen op school, in het ziekenhuis of in een hotel.

Je gaat samen met een klasgenoot op zoek naar het antwoord op de vragen op de volgende dia.

Slide 5 - Tekstslide

Beantwoord deze vragen:
  1. Wat betekent het woord facilitaire dienst volgens jou?
  2. Noem 3 dingen die de facilitaire dienst op school doet.
  3. Waar zie je de facilitaire dienst in een ziekenhuis of verzorgingshuis?
  4. Waarom is de facilitaire dienst belangrijk?
  5. Heb jij wel eens iets gedaan wat bij de facilitaire dienst hoort? (bijv. tafels dekken, schoonmaken, opruimen?)

Slide 6 - Tekstslide

Facilitaire dienst
De facilitaire dienst zorgt ervoor dat een gebouw goed werkt en schoon is.

Denk aan schoonmaken, eten klaarmaken, ruimtes klaarzetten, spullen bestellen en afval opruimen.

Je vindt de facilitaire dienst in bijvoorbeeld scholen, ziekenhuizen, verzorgingshuizen en hotels.

Slide 7 - Tekstslide

Stellingen; eens of oneens
  1. “De facilitaire dienst is alleen maar schoonmaken.”
  2. “Zonder de facilitaire dienst zou de school niet goed werken.”
  3. “Ik zou wel bij de facilitaire dienst willen werken.”
  4. “De facilitaire dienst is belangrijker in een ziekenhuis dan op school.”
  5. “Als je helpt met tafels dekken, hoor je bij de facilitaire dienst.”

Slide 8 - Tekstslide

Poster maken
Maak een poster met antwoorden op deze drie vragen:

  1. Wat moet er allemaal schoongemaakt worden op school?
  2. Wat moet er klaarstaan voor bezoekers of personeel?
  3. Wat doet de facilitaire dienst nog meer op een school?

Slide 9 - Tekstslide

Presentatie poster
Elke groep vertelt aan de klas wat de facilitaire dienst doet in het gebouw dat zij hebben onderzocht. Je presentatie duurt  ongeveer 2 minuten

Tip voor de leerlingen:
  1. Kies één spreker of verdeel de drie punten.
  2. Houd het kort en duidelijk.
  3. Je mag je poster  gebruiken tijdens het presenteren.

Slide 10 - Tekstslide

Beoordeling presentatie door klasgenoten:
Beoordeling presentatie:
  1. Noemden ze duidelijk welk gebouw ze bedoelden?
  2. Gaven ze minstens 3 taken van de facilitaire dienst?
  3. Legden ze goed uit waarom die dienst belangrijk is?
  4. Spraken ze duidelijk en in hun eigen woorden?
  5. Werkten ze goed samen tijdens de presentatie?

Slide 11 - Tekstslide

Profit en non-profitorganisaties
Profitorganisatie:
Dit is een bedrijf dat winst wil maken. Ze verkopen iets om geld te verdienen.
Voorbeeld: supermarkt, kapper, kledingwinkel.

Non-profitorganisatie:
Dit is een organisatie die niet is opgericht om winst te maken. Ze helpen mensen of doen iets goeds voor de samenleving.
Voorbeeld: ziekenhuis, school, bibliotheek.

Slide 12 - Tekstslide

Welke is het?
Is het een profitorganisatie of non-profitorganisatie?

  1. “Deze organisatie verkoopt hamburgers en wil zoveel mogelijk winst maken.”
  2. “Deze organisatie geeft les aan kinderen en wordt betaald door de overheid.”
  3. “In dit gebouw kun je boeken lenen, zonder ervoor te betalen.”
  4. “Deze organisatie wil kleding verkopen en zoveel mogelijk klanten trekken.”
  5. “In dit verzorgingshuis werken mensen om ouderen te helpen, niet om winst te maken.”

Wat is het verschil tussen profit en non-profitorganisaties? 
Ken jij iemand in je omgeving die een profit of non-profit organisatie heeft? Zoja, welke?

Slide 13 - Tekstslide

Evaluatie 
Beantwoord deze vragen:
Wat ging goed tijdens de lessen?
Wat kan beter de volgende lessen?

Denk aan:
Je houding en motivatie
Het lesgeven van de docent
Het onderwerp

Slide 14 - Tekstslide