VEI M4 9.5 Bestuiving, bevruchting 2023

Welkom allemaal, fijn dat jullie er zijn!
  • Telefoon in de bak!
  • Ga rustig op je plek zitten.
  • Alleen een pen op tafel leggen!

Huiswerk voor week 40:
Lezen en maken 1.5 en 1.6 opdrachten volgens de planner



1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom allemaal, fijn dat jullie er zijn!
  • Telefoon in de bak!
  • Ga rustig op je plek zitten.
  • Alleen een pen op tafel leggen!

Huiswerk voor week 40:
Lezen en maken 1.5 en 1.6 opdrachten volgens de planner



Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Wat hebben we tot nu toe geleerd? (Activiteit)
  • Herhaling vorige les met LessonUp vragen
  • Uitleg: Bestuiving, bevruchting en verspreiding van zaden

Slide 2 - Tekstslide

Brain dump
  • Noteer, UIT HET HOOFD, zoveel mogelijk begrippen die je in dit hoofdstuk hebt geleerd
  • Na 4 minuten geef je je papier door aan het volgende groepje.
  • Vul aan met begrippen die er nog niet op staan.

Slide 3 - Tekstslide

Stuifmeelkorrel
12
Helmknop met helmhokjes met daarin stuifmeel
7
Helmdraad
8
Stempel
3
Stijl
4
Helmdraad
8
Kroonblad
1
Kelkblad
2
Bloembodem
6
Bloemsteel
10
Zaadbeginsel met eicellen
11
Vruchtbeginsel
5
Herhaal de onderdelen van 
de bloem die je moet leren
Vruchtbeginsel
13
Helmknop
7
De nectar bevindt zich diep in de bloem(bodem)
9
nr. 3,4 + 13 samen heten
De stamper
14

Slide 4 - Tekstslide

Welke onderdelen van een bloem hebben vaak mooie, opvallende kleuren?
A
De kelkbladeren
B
De stamper
C
De kroonbladeren
D
De meeldraden

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de functie van opvallend gekleurde bloemen.
A
Beschermd tegen de kou.
B
Lokken insecten aan
C
Kaatst warmte af
D
Beschermd de bloem tegen uitdrogen

Slide 6 - Quizvraag

De stamper van een bloem is?
A
Het mannelijke voortplantingsorgaan
B
Het vrouwelijk voortplantingsorgaan

Slide 7 - Quizvraag

Oeverkruid is een vrij zeldzaam plantje dat onder andere in de duinen voorkomt. Het groeit langs de rand van waterplassen en tot twee meter diep in het water. De lange, smalle bladeren staan in dichte rozetten. Aan planten boven water ontwikkelen zich in de bloeitijd meestal mannelijke bloemen en vrouwelijke bloemen. In de afbeelding is een vruchtje van de plant te zien.
Enkele delen van de bloemen zijn met letters aangegeven. Welke letter geeft het deel aan waaruit een vruchtje groeit?
A
letter Q
B
letter R
C
letter S

Slide 8 - Quizvraag

1.6 Bestuiving, bevruchting en verspreiding van zaden

Slide 9 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt omschrijven wat bestuiving is en je kunt kenmerken van insectenbloemen en van windbloemen noemen.
  • Je kunt opschrijven hoe bevruchting bij zaadplanten verloopt en welke veranderingen na bevruchting in het vruchtbeginsel plaatsvinden.
  • Je kunt uit afbeeldingen van (delen van) planten afleiden hoe de vruchten en zaden worden verspreid



Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Kruisbestuiving en zelfbestuiving
  • Bedenk eens wat er met deze begrippen wordt bedoeld! 


Windbloemen en insectenbloemen
  • Wat zullen dit precies zijn?

Slide 12 - Tekstslide

Kruisbestuiving en zelfbestuiving

Slide 13 - Tekstslide

Bestuiving (2 manieren)
Bestuiving
  • Wanneer stuifmeel op de stempel van een stamper terechtkomt,
  •  Insectenbloem: bestuiving door insecten 
  • Windbloembestuiving door de wind

Slide 14 - Tekstslide

Insectenbloemen       en               Windbloemen

Slide 15 - Tekstslide

Bestuiving door insecten

Slide 16 - Tekstslide

Insectenbloem
Windbloem
Bloemen zijn
Kroonbladeren zijn
bloemen geuren
bloemen hebben
stuifmeelkorrels zijn
meeldraden zijn
stempels zijn
helmknoppen en stempels 

Slide 17 - Tekstslide

Kenmerken van een Insectenbloem
Insectenbloem herken je aan:
  • Kleur --> heeft kroonbladeren, die een kleur hebben om insecten te lokken.
  • Geur --> heeft een geur om insecten te lokken.
  • Nectar --> de bloem maakt nectar om insecten te lokken.
  • Stuifmeelkorrels --> klein en kleverig.                                                                                                                                                           --> Niet zo heel veel.
  • Meeldraden  --> zijn klein en hangen niet uit de bloem
  • Stamper --> is klein en hangt niet uit de insectenbloem

Slide 18 - Tekstslide

Windbloem
  • Kleine, groene kroonbladeren
  • heel veel licht, glad stuifmeel
  • veel stuifmeel in verhouding tot insectenbloem
  • stamper en meeldraad buiten de bloem
  • grote stamper  
  • geen geur

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Bevruchting 
Wat is bevruchting precies in de biologie?
  • Het samensmelten van de kern van de eicel met de kern van de zaadcel.

Slide 21 - Tekstslide

 Bevruchting
  • Voor bevruchting is eerst bestuiving nodig. Er is een stuifmeelkorrel van dezelfde plantensoort op de stempel
  • Uit elke stuifmeelkorrel groeit een stuifmeelbuis (pollenbuis) met kern door de stijl naar het vruchtbeginsel
  • In het vruchtbeginsel kan de bevruchting plaatsvinden.
  • Bevruchting = het samensmelten van de celkernen van de zaadcel (stuifmeel) en de eicel (in het zaadbeginsel)

Slide 22 - Tekstslide

Bevruchting
De buis gaat door de stijl naar een zaadbeginsel. Als de buis daar aankomt knapt de top open zodat de kern van de stuifmeelkorrel de eicel kan binnendringen. 

Bevruchting:
De kern van de mannelijke geslachtscel smelt samen met de kern van de vrouwelijke geslachtscel. Er is een eicel die bevrucht is.
De bevruchte eicel noem je een zygote.
Opening in de zaadhuid met vlakbij de eicel (vrouwelijke geslachtscel) met daarin een kern. De top van de stuifmeelbuis knapt open. De kern van de stuifmeelkorrel dringt de eicel binnen en smelt samen met de eicel. Dat is bevruchting. Er is nu een bevruchte eicel ontstaan. Deze noem je een zygote.
1
Pollenbuis met de kern van de stuifmeelkorrel (mannelijke geslachtscel) groeit door de stijl naar een zaadbeginsel met daarin een eicel (vrouwelijke geslachtscel).
1

Slide 23 - Tekstslide

Een vrucht

  • Na bevruchting  begint in het vruchtbeginsel één of meer zaadbeginsels te groeien.
  • Alleen de zaadbeginsels waarin de eicellen zijn bevrucht, groeien uit tot zaden. 
  • In de zaadbeginsels groeit een kiempje.


Hoeveel eicellen zijn er hier bevrucht?

Slide 24 - Tekstslide

Een vrucht
Het vruchtbeginsel wordt groter. Het groeit uit tot een vrucht. De zaden bevinden zich in de vrucht. 

De vrucht van een bonenplant heet een peulvrucht

Slide 25 - Tekstslide

De bloem maakt nectar
A
Windbloem
B
Insectenbloem

Slide 26 - Quizvraag

Een tulp is een windbloem.

A
Waar
B
Nietwaar

Slide 27 - Quizvraag

De bloem maakt weinig stuifmeel
A
Windbloem
B
Insectenbloem

Slide 28 - Quizvraag

De meeldraden zijn groot en veervormig

A
Windbloem
B
Insectenbloem

Slide 29 - Quizvraag

Wat zie je hier?
Een...
A
Windbloem
B
Insectenbloem
C
Een lelijke bloem
D
Dit is geen bloem

Slide 30 - Quizvraag

wat heeft een windbloem niet?
A
kelkbladeren
B
grote stamper
C
stuifmeel korrel die ruw is
D
veel stuifmeel

Slide 31 - Quizvraag

Een insectenbloem heeft heel veel stuifmeel, zo'n bloem heeft meer stuifmeel dan een windbloem.
A
Waar
B
Nietwaar

Slide 32 - Quizvraag

Wat is een kenmerk van een windbloem?
A
weinig stuifmeel
B
grote stempel en meeldraden buiten de bloem
C
gekleurde kroonbladeren
D
stamper en meeldraden in de bloem

Slide 33 - Quizvraag

De grote bladeren
(nr. 3) zijn
kelkbladeren.
Wat is juist?
A
Dit is een insectenbloem
B
Dit is een windbloem
C
Dit is een schimmelbloem
D
Dit is geen bloem

Slide 34 - Quizvraag

Is de paardenbloem een insektenbloem of een windbloem?
(Heb je het antwoord fout, klik op het oogje)
Je ziet op het plaatje een uitgebloeide paardenbloem.
Hierbij worden de zaden door de wind verspreid.
Maar bij een windbloem worden de STUIFMEELKORRELS door de wind verspreid.
Kijk je naar de bloem, dan zie je dat deze een gele kleur heeft.... Kleur is een eigenschap van een insektenbloem, dus is de paardenbloem een insektenbloem
A
Het is een windbloem
B
het is een insektenbloem

Slide 35 - Quizvraag