Spelling Groep 6 herhaling

Geef voorbeelden van een 'garagewoord'
1 / 20
volgende
Slide 1: Woordweb
SpellingBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

Geef voorbeelden van een 'garagewoord'

Slide 1 - Woordweb

Geef voorbeelden van een 'verkleinwoord met uutje, aatje of ootje'

Slide 2 - Woordweb

Welke zin is goed geschreven?
A
Jij word morgen 11 jaar.
B
Jij Wert gisteren 11 jaar
C
Jij wordt morgen 11 jaar.

Slide 3 - Quizvraag

Hij heeft de vogel .......
A
gered
B
geredt
C
geret

Slide 4 - Quizvraag

De meester ............. op de vraag.
A
antwoordt
B
antwoord
C
antwoort

Slide 5 - Quizvraag

Geef voorbeelden van een 'Griekse-y woord'

Slide 6 - Woordweb

Geef voorbeelden van een 'routewoord'

Slide 7 - Woordweb

Wat is het onderwerp:
Gisteren zijn de leerlingen van groep 6 naar het museum geweest.
A
zijn
B
de leerlingen
C
de leerlingen van groep 6
D
geweest

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het persoonsvorm:
De juf heeft gisteren een spannend verhaal voorgelezen.
A
De juf
B
spannend
C
heeft
D
heeft, voorgelezen

Slide 9 - Quizvraag

(onderwerp) De meester en zijn collega hebben de toets nagekeken.

Slide 10 - Open vraag

(wwg) In de verte hoor ik dat de trein vertraging heeft opgelopen.

Slide 11 - Open vraag

(pv) Aan het einde van de dag bleken de taken toch makkelijk.

Slide 12 - Open vraag

Welke zin heeft een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
A
Ik heb een mooie trui gekocht.
B
Zij leest een spannend boek.
C
De snelle jongen rent naar school.
D
De houten tafel staat in de keuken.

Slide 13 - Quizvraag

Welke woord is een voegwoord?
A
lopen
B
want
C
onder
D
snel

Slide 14 - Quizvraag

Dictee woord 1

Slide 15 - Open vraag

Dictee woord 2

Slide 16 - Open vraag

Dictee woord 3

Slide 17 - Open vraag

Dictee woord 4

Slide 18 - Open vraag

Dictee woord 5

Slide 19 - Open vraag

Dictee woord 6

Slide 20 - Open vraag