A2 Overtreffende trap

2.2 Trap van vergelijking
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

2.2 Trap van vergelijking

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Trappen van vergelijking
Je gebruikt de vergelijkende trap wanneer je twee of meer dingen met elkaar vergelijkt.

We noemen het een trap, omdat het elke keer meer wordt.

Slide 3 - Tekstslide

klein - kleiner       aardig - aardiger
Je kunt woorden gebruiken om dingen of mensen met elkaar te vergelijken. 
Meestal zet je -er achter het woord.

  • mooi - mooier
  • lang - langer
  • klein - kleiner

Slide 4 - Tekstslide

lange - & korte klank

Kort --> extra letter 
Lang --> 1 letter minder 

Krom - krommer
Laag - lager

Slide 5 - Tekstslide

Let op!
Is de laatste letter een -r? Dan schrijft je -der achter het woord zoals bij:

  • Lekker - lekkerder en duur - duurder

                                duurder --> niet durder 



Slide 6 - Tekstslide

Sommige woorden zijn onregelmatig / speciaal
Bijvoorbeeld:

graag - liever
goed - beter
veel - meer
weinig - minder

Omar voetbalt graag buiten, maar Mike speelt liever binnen.

Slide 7 - Tekstslide

Overtreffende trap

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Het leukst
Weet je het nog?
  • Je kunt mensen en dingen vergelijken door de vergrotende trap:
 Kees is langer dan Jan.

  • Je kunt ook op een andere manier vergelijken: de overtreffende trap:
     Nederlanders zijn het langst.

Slide 10 - Tekstslide

groot - groter - grootst
  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.
  4. Ik ben groter dan jij (bent).
  5. Jij bent even groot als ik (ben).


Slide 11 - Tekstslide

'Het' ervoor en '-st' erachter
Nog een paar voorbeelden:
  • Klein - kleiner - het kleinst
  • Groot - groter - het grootst
  • Stil -stiller - het stilst
  • Donker - donkerder - het donkerst

Slide 12 - Tekstslide

Deze regel geldt ook bij de onregelmatige woorden:

graag     -   liever        -     het liefst
goed      -   beter        -     het best
veel        -   meer        -     het meest
weinig   -   minder    -      het minst

Slide 13 - Tekstslide

Wat doe je bij hetzelfde?

Slide 14 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
Je gebruikt het woord even.
  1. Eslam en Yakeen voetballen even goed.
  2. Mateusz en Natnael zijn even groot.
  3. Dagmara en Saba schrijven even netjes.

Slide 15 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
even als of net zo als.

1a. Eslam voetbalt even goed als Yakeen.
1b. Eslam voetbalt net zo goed als Yakeen.
2a. Mateusz is even groot als Natanael.
2b. Mateusz is net zo groot als Natanael.

Slide 16 - Tekstslide

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: leuk

Slide 17 - Open vraag

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: gek

Slide 18 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: lief

Slide 19 - Open vraag


Schrijf vergrotende en overtreffende trap van: goed

Slide 20 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: zwaar

Slide 21 - Open vraag

Geheime Raadspel 
Schrijf een geheime beschrijving van een persoon, plaats, dier of ding. Gebruik minstens drie overtreffende trappen.

Lees jouw beschrijving voor aan de groep, maar noem het onderwerp niet.

De groep mag om de beurt een vraag stellen om te raden wat of wie het is.
Het moet een ja/nee vraag zijn. 

Bijvoorbeeld:  "Dit is de bekendste stad in Nederland. Er zijn de meeste toeristen. Het heeft de langste grachten. Welke stad is dit?"

Slide 22 - Tekstslide