1.) Paragraaf 1 de stroomkring

H2 elektriciteit
paragraaf 1 elektrische stroom

Deel 1

Geleiders / isolatoren
Open / gesloten stroomkring
Serie / parallel
1 / 81
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 81 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H2 elektriciteit
paragraaf 1 elektrische stroom

Deel 1

Geleiders / isolatoren
Open / gesloten stroomkring
Serie / parallel

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Geleiders laten de stroom ........ door
A
Goed
B
Slecht
C
Niet

Slide 3 - Quizvraag

Welke van de volgende stoffen is een geleider?
A
Lucht
B
Rubber
C
Aluminium
D
Kunststof

Slide 4 - Quizvraag

Isolatoren laten de stroom ........ door
A
Goed
B
Slecht
C
Niet

Slide 5 - Quizvraag

Welke van de onderstaande materialen is een isolator?
A
Koolstof
B
Kraanwater
C
Kunststof
D
Koper

Slide 6 - Quizvraag

open / gesloten stroomkring
een gesloten stroomkring is een stroomkring die alleen bestaat uit geleidende materialen, de stroom kan hier rond stromen waardoor apparaten functioneren.

een open stroomkring is een stroomkring die op 1 of meerdere plaatsen onderbroken wordt door een materiaal dat de stroom isoleert, daardoor zullen apparaten niet functioneren

Slide 7 - Tekstslide

voorbeeld van een open stroomkring

Slide 8 - Tekstslide

Een gesloten stroomkring bevat.....
A
Alleen maar geleiders
B
Alleen maar isolatoren

Slide 9 - Quizvraag

In een open stroomkring
A
Kunnen de elektronen WEL rond stromen
B
Kunnen de elektronen NIET rond stromen

Slide 10 - Quizvraag

Bij een open stroomkring werken apparaten
A
Wel
B
Niet

Slide 11 - Quizvraag

Kunststof is een …………… als er kunststof is opgenomen in een stroomkring, dan heb je te maken met een …… stroomkring
A
Isolator ; gesloten stroomkring
B
Isolator ; open stroomkring
C
Geleider ; gesloten stroomkring
D
Geleider ; open stroomkring

Slide 12 - Quizvraag

Slide 13 - Tekstslide

Je ziet hiernaast het symbool voor een ....
A
Weerstand
B
Batterij
C
Schakelaar
D
Stopcontact

Slide 14 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding. Dit is het pictogram voor een...
A
batterij
B
stopcontact
C
spanningsmeter
D
motor

Slide 15 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding hiernaast goed. Wat stelt dit symbool voor? Dit symbool stelt een......... voor

Slide 16 - Open vraag

Bekijk de afbeelding. Dit is het pictogram voor een...
A
zekering
B
weerstand
C
spanningsmeter
D
stroommeter

Slide 17 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding. Dit is het pictogram voor een...
A
zekering
B
weerstand
C
spanningsmeter
D
stroommeter

Slide 18 - Quizvraag

Slide 19 - Tekstslide

De grootheid van spanning kort je af met ?
A
U
B
I
C
R
D
P

Slide 20 - Quizvraag

De grootheid van weerstand kort je af met ?
A
U
B
I
C
R
D
P

Slide 21 - Quizvraag

De eenheid van vermogen kort je af met?
A
A
B
V
C
W
D
h

Slide 22 - Quizvraag

De eenheid van spanning kort je af met ?
A
U
B
I
C
V
D
A

Slide 23 - Quizvraag

De eenheid van stroom kort je af met?
A
U
B
I
C
V
D
A

Slide 24 - Quizvraag

De eenheid van energie is
A
kilowatt
B
kilowattuur
C
kilowatt/uur
D
geen van de bovenstaande

Slide 25 - Quizvraag

typeplaatje aflezen
wat is de spanning waarop je dit apparaat moet aansluiten?
wat is de stroomsterkte die door dit apparaat heen stroomt?
Spanning:

U = 230V


Stroomsterkte:

I = 7,1A

Slide 26 - Tekstslide

Op welke spanning moet je dit apparaat aansluiten?

Slide 27 - Open vraag

Wat is het vermogen van dit apparaat?

Slide 28 - Open vraag

Paragraaf 1 deel 2

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

L1
L2
L3
L1
L2
L3
Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 1 los draait?

Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 2 los draait?

Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 3 los draait?
L1
L2
L3

Slide 32 - Tekstslide

Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 1 los draait?

serie: lampje 2 en lampje 3 gaan ook uit.
parallel: lampje 2 en lampje 3 blijven branden.
gemengd: lampje 2 en lampje 3 gaan ook uit.


Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 2 los draait?

serie: lampje 1 en lampje 3 gaan ook uit.
parallel: lampje 1 en lampje 3 blijven branden.
gemengd: lampje 1 en lampje 3 blijven branden.

Wat gebeurd er met de andere lampjes wanneer je lampje 3 los draait?

serie: lampje 1 en lampje 2 gaan ook uit.
parallel: lampje 1 en lampje 2 blijven branden.
gemengd: lampje 1 en lampje 2 blijven branden.

Slide 33 - Tekstslide

Bekijk de afbeelding goed en beantwoord de vraag.

Welk lampje is er kapot gegaan als alle andere lampjes blijven branden?

Je moet dus van de plus van de batterij naar de min van de batterij “lopen” met je vinger. Ga ieder lampje na stel dat deze kapot is kan ik dan nog naar alle andere lampjes toe.
A
Lampje 1
B
Lampje 2
C
Lampje 3
D
Lampje 4

Slide 34 - Quizvraag

De verdeling van stroomsterkte

Slide 35 - Tekstslide

De verdeling van spanning

Slide 36 - Tekstslide

kies uit: serie/parallel

In welk type schakeling is de stroomsterkte constant?
A
serie
B
parallel

Slide 37 - Quizvraag

kies uit: serie/parallel

In welk type schakeling is de spanning constant?
A
serie
B
parallel

Slide 38 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 2 identieke weerstandjes parallel geschakeld. Hoe groot is de spanning die R2 krijgt?
A
4,5V
B
9V
C
18V

Slide 39 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 2 identieke weerstandjes parallel geschakeld. Over weerstandje 1 staat een spanning van 12V. Hoe groot is de spanning die de batterij levert?
A
6V
B
12V
C
24V

Slide 40 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 3 identieke lampjes in serie geschakeld. De voltmeter meet een spanning van 6V. Hoe groot is de spanning die de batterij levert?
A
2V
B
6V
C
18V

Slide 41 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 3 weerstandjes. De totale stroomsterkte is 0,9A. De stroomsterkte door weerstand 1 is 0,25A. De stroomsterkte door weerstand 3 is ook 0,25A. Hoe groot is de stroomsterkte door weerstand 2?
A
0,25A
B
0,4A
C
0,5A
D
0,75A

Slide 42 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 4 weerstandjes. De totale stroomsterkte is 1,2A. De stroomsterkte door weerstand 1 is 0,6A. De stroomsterkte door weerstand 3 is ook 0,6A. Hoe groot is de stroomsterkte door weerstand 2?
A
0,0A
B
0,6A
C
1,2A

Slide 43 - Quizvraag

Je ziet in de afbeelding 4 weerstandjes. De totale stroomsterkte is 1,2A. De stroomsterkte door weerstand 1 is 0,6A. De stroomsterkte door weerstand 3 is ook 0,6A. Hoe groot is de stroomsterkte door weerstand 4?
A
0,0A
B
0,6A
C
1,2A

Slide 44 - Quizvraag

Stroom meten 

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Slide 48 - Tekstslide

Slide 49 - Tekstslide

Welke stroomsterkte geeft de meter aan? noteer alleen de waarde, niet de eenheid.

Slide 50 - Open vraag

Welke stroomsterkte geeft de meter aan? noteer alleen de waarde, niet de eenheid.

Slide 51 - Open vraag

In welke schakeling zijn de voltmeter en ampèremeter goed aangesloten?
A
Schakeling A
B
Schakeling B
C
Schakeling C
D
Schakeling D

Slide 52 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding goed en beantwoord de vraag.

Welk genummerd onderdeel geeft de amperemeter aan? (Bedenk welke vorm het symbool van een Ampèremeter heeft en eventueel of deze serie of parallel aangesloten dient te worden.)
A
Nummer 1
B
Nummer 2
C
Nummer 3
D
Nummer 4

Slide 53 - Quizvraag

En nu jij!
zelfstandige deel

Slide 54 - Tekstslide

De eenheid van stroomsterkte
Stroomsterkte meet je in Ampere (A), echter zijn stroomsterktes vaak veel kleiner dan 1A, omdat stroomsterktes vanaf 1A al dodelijk kunnen zijn. 

Net als een meter soms te groot is om een kleine afstand uit te drukken en dan gekozen wordt voor de centimeter of millimeter. Zo kun je bij kleine stroomsterktes ook kiezen voor de miliampere (mA) wanneer de Ampere (A) een te grote eenheid is.

1000 mA = 1 A


Slide 55 - Tekstslide

Slide 56 - Tekstslide

Omrekenen
0,05 A = ……………………mA

0,25 A = ……………………mA

14 mA = ………………….A

750 mA = ……………………A

Slide 57 - Tekstslide

Reken om:
0,087 A = …….mA
Noteer alleen het getal

Slide 58 - Open vraag

Reken om:
0,115 A = …….mA
Noteer alleen het getal

Slide 59 - Open vraag

Reken om:
5,6 A = …….mA
Noteer alleen het getal

Slide 60 - Open vraag

Reken om:

75 mA = …….A
Noteer alleen het getal

Slide 61 - Open vraag

Reken om:

345mA = …….A
Noteer alleen het getal

Slide 62 - Open vraag

Reken om:

2894 mA = …….A
Noteer alleen het getal

Slide 63 - Open vraag

kies uit: serie/parallel

Hoe moet je een ampèremeter aansluiten?
A
serie
B
parallel

Slide 64 - Quizvraag

Welke spanning geeft de meter aan?

Slide 65 - Open vraag

Welke spanning geeft de meter aan?

Slide 66 - Open vraag

Wat voor soort schakeling zie je in de afbeelding?
A
Serieschakeling
B
Parallelschakeling

Slide 67 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding hiernaast goed en beantwoord de vraag. In welke schakeling / schakelingen zie je een parallelschakeling?
A
A en B
B
C en D
C
B en D
D
B, C en D

Slide 68 - Quizvraag

kies uit: serie/parallel

De kerstboomverlichting van maaike is kapot. Alle lampjes van het snoer gingen tegelijk uit. hoe zijn de lampjes geschakeld?
A
serie
B
parallel

Slide 69 - Quizvraag

kies uit: serie/parallel

In welk type schakeling branden de lampjes het felst?
A
serie
B
parallel

Slide 70 - Quizvraag

kies uit: serie/parallel

Hoe staan de TV en computer geschakeld?
A
serie
B
parallel

Slide 71 - Quizvraag

Paragraaf 1 deel 3

Slide 72 - Tekstslide

Het tekenen van schakelschema’s

Slide 73 - Tekstslide

Stroomkring
Schakelschema

Slide 74 - Tekstslide

Stroomkring
Schakelschema

Slide 75 - Tekstslide

Stroomkring
Schakelschema

Slide 76 - Tekstslide

Slide 77 - Tekstslide

Schakelschema
Tygo heeft een lamp boven de eettafel hangen. De lamp bevat twee bolletjes. Op de lampjes staat 230V : 2,8A. Teken het schakelschema met een stopcontact als spanningsbron, twee lampjes, een schakelaar om de lampen mee aan en uit te zetten (beiden lampjes gaan tegelijk aan/uit). Beide lampjes werken op 230V.

Slide 78 - Tekstslide

Schakelschema
Gerry haar fietslampjes worden beide voorzien van spanning door een dynamo. De dynamo levert ca. 12V. Op haar voorlicht staat 8V:0,2A en op Gerry haar achterlicht staat 4V: 0,1A. Teken het schakelschema van de twee lampjes. Neem als spanningsbron een dynamo (generator).

Slide 79 - Tekstslide

Schakelschema
Sheila wil het vermogen van een lampje bepalen, ze meet daarvoor de stroomsterkte door de lamp en de spanning over de lamp. De lamp staat aangesloten op het stopcontact. Teken de opstelling waarmee Sheila het vermogen van de lamp kan bepalen. Dus: stopcontact, lampje, stroommeter en spanningsmeter op de juiste plaats.

Slide 80 - Tekstslide

Schakelschema
Nigel heeft 4 lampjes. Hij sluit de lampjes aan op een spanningsbron. Wanneer je lampje 1 losdraait, dan gaan alle andere lampjes uit. Wanneer je lampje 2 los draait, dan gaan lampje 3  en 4 ook uit. Wanneer je lampje 3 los draait, dan blijven alle andere lampjes branden. Wanneer je lampje 4 los draait, dan blijven alle anderen lampjes branden. Teken het schakelschema. 

Slide 81 - Tekstslide