H6 De overheid

6.1 Collectieve voorziening

Toets H5 bespreken
Begin H6 

Je leert wat maatschappelijke kosten zijn
1 / 59
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo b, k, tLeerjaar 2

In deze les zitten 59 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

6.1 Collectieve voorziening

Toets H5 bespreken
Begin H6 

Je leert wat maatschappelijke kosten zijn

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Collectieve voorzieningen

Voorzieningen die de overheid betaalt en waar iedereen gebruik van mag maken, noem je collectieve voorzieningen. 

‘Collectief’ betekent gezamenlijk.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Collectieve voorziening

Voorziening van de overheid die wordt betaald uit belastinggeld.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN collectieve voorziening?
A
Park
B
Basisschool
C
Sportschool
D
Snelweg

Slide 4 - Quizvraag

Collectieve voorzieningen
Voorzieningen die de overheid betaalt en waar iedereen gebruik van mag maken.
Wie zorgt er voor het onderhoud van collectieve voorzieningen
A
Burgers (inwoners van een land)
B
De gemeente
C
De overheid
D
Bedrijven

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
6.1 collectieve voorzieningen
Maken 1 t/m 20
Blz 32/ 33

Klaar? 
Huiswerk af?
Rekenen leren H10/11

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.3 werken voor de overheid


Ik weet meer over het werk dat bij de overheid wordt gedaan. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het sociaal minimum?
A
Het bedrag dat fijn is om te hebben
B
Het bedrag waar je sociale dingen, zoals uitgaan, mee kan doen
C
Het bedrag dat je minimaal moet hebben voor noodzakelijk uitgaven
D
Het bedrag dat je uitgeeft aan sociale dingen zoals uitjes

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een ww uitkering
A
Geld dat je krijgt als je werkloos bent
B
Geld dat je krijgt als je weinig geld verdiend
C
Geld dat je krijgt als je kinderen hebt
D
Geld dat je krijgt als je studeert.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

6.2 sociale zekerheid
Herhaling paragraaf 6.1
Huiswerk nakijken 6.1
Uitleg en maken paragraaf 6.2

Je weet hoe de overheid zorgt voor sociale zekerheid

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bruto en netto loon 
Wat is dit ?
Brutoloon
Inhoudingen - 
_______________
Nettoloon

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bruto en netto loon verschillen?
  • Brutoloon : loon wat je hebt afgesproken, waarvan nog niks is ingehouden.
  • Nettoloon : je brutoloon - je belastingen en sociale premies.
  • Deze premies worden afgegeven aan de overheid

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

sociale zekerheid
- geeft het recht op voldoende geld om van te leven
- wordt betaald uit sociale premies en belastingen

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer heb je recht op een ww-uitkering?


Een werkloze heeft recht op een ww-uitkering als:

  • hij 26 weken in loondienst heeft gewerkt tijdens de laatste 36 weken.
  • hij zelf geen schuld heeft aan zijn ontslag.
  • en zich binnen twee na de laaste werkdag heeft ingeschreven als werkzoekende bij het UWV.

Maar hoeveel bedraagt de WW-uitkering?

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel en hoe lang is de WW-uitkering?

De ww-uitkering bedraagt:

  • 1e + 2e maand = 75% van het brutoloon
  • Na 2e maand tot einde WW =  70% van het brutoloon


Hoelang is de ww-uitkering?

- min. 3 maanden en max. 24 maanden → daarna in de bijstand




Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel uitkering krijg je?

Je bent inmiddels 6 maanden geleden ontslagen. Je verdiende een bruto inkomen van € 2000,-.

Hoeveel uitkering krijg je nu per maand?

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoel 6.3 
  • B: Ik kan uitleggen wat de collectieve en particuliere sector is.
  • B: Ik kan de taak van de overheid toelichten en benoemen door wie deze taak wordt uitgevoerd.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de overheid voor ons?

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gemeente
-De gemeente regelt alles in je woonplaats.
-Kun je een paspoort, rijbewijs, ID-kaart halen.
-De gemeente wordt bestuurd door een burgemeester en wethouders.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Provincie
Regelt zaken als het openbaar vervoer in de provincie en de drinkwatervoorziening. En alle zaken die in de provincie geregeld dienen te worden, zoals ruimtelijke ordening en infrastructuur.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ambtenaren
Zijn mensen die voor de overheid werken. 

Voorbeelden hiervan zijn: docenten, politieagenten, brandweermensen etc..

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rekenvaardigheden
Ik let er op dat ik:
  • Een berekening geef
  • De eenheid erbij zet: €
  • Een komma zet ipv een punt
  • 2 cijfers achter de komma zet
Rekentrainer

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rekenen met grote getallen

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Rekenen met grote getallen
Als je met miljarden en miljoenen moet rekenen, kun je de miljarden omzetten in miljoenen: 1 miljard = 1.000 miljoen, bijvoorbeeld:
  • € 54 miljard = 54 × € 1.000 miljoen = € 54.000 miljoen
  • € 1,8 miljard = 1,8 × € 1.000 miljoen = € 1.800 miljoen

Het omgekeerde kan ook, van miljoenen kun je miljarden maken:
1.000 miljoen ÷ 1.000 = 1 miljard, bijvoorbeeld:
  • € 12.500 miljoen = (€ 12.500 ÷ 1.000) miljard = € 12,5 miljard
  • € 5.400 miljoen = (€ 5.400 ÷ 1.000) miljard = € 5,4 miljard

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.3 maken 1 t/m 16
Blz 40/ 41

Klaar?
Rekentraniner 2/3 (blz 52/ 53)
Leren wiskunde
Iets voor jezelf
Aan de slag

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De gemeente regelt ...
A
zaken voor het hele land.
B
de indeling van het grondgebied.
C
de infrastructuur.
D
alles in je woonplaats.

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ambtenaren zijn....
A
de overheid
B
personen die werken voor de overheid
C
de personen waarvoor de overheid werkt

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je 0,6 miljard in cijfers ?
A
600.000.000
B
6.000.000
C
60.000.000
D
600.000

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Bedrijven van de overheid:

Bedrijven zoals scholen, bibliotheken, gevangenissen en ziekenhuizen krijgen geld van de gemeente. Dit zijn bedrijven zonder winst. 

Betaald door de overheid: 

Particuliere bedrijven worden door de overheid ingehuurd om werk te doen. Bijvoorbeeld bouwbedrijven om overheidsgebouwen te maken
Bedrijven betaald door de overheid

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Infrastructuur
Alle voorzieningen die nodig zijn voor vervoer en communicatie, zoals wegen, vliegvelden, havens, internet en het elektriciteitsnetwerk. 

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden infrastructuur

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
6.3 maken t/m 26
Blz 41/ 42
rekentrainer 1,2,3

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

6.4 inkomsten van de overheid
Nakijken 6.3
Uitleg 6.4

Ik kan uitleggen welke inkomsten de overheid heeft.
Ik weet wat accijns is.
Ik kan voorbeelden noemen van (niet-)belastinginkomsten.
Ik kan de BTW uitrekenen.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Belastingen
Belasting = verplichte bijdrage die bedrijven en burgers aan de overheid betalen

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Inkomsten overheid

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Soorten belasting
  • Inkomstenbelasting
  • Belasting over de winst 
    (=vennootschapsbelasting)
  • BTW
  • Accijns

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Premies
Volksverzekeringen zorgen er voor dat mensen die het nodig hebben, geld krijgen van de overheid. Hiervoor betalen mensen met een inkomen premies
- AOW (Algemene Ouderdoms Wet)
- ANW (Algemene Nabestaande Wet)
- WLZ (Wet Langdurige Zorg)

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indirecte belasting
Indirecte belasting:
  • Btw
  • Accijns

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

btw=

belasting toegevoegde waarde

Btw staat voor belasting over de toegevoegde waarde en is een belasting die wordt geheven over elk product of dient dat in Nederland wordt verkocht.

Er zijn drie btw-tarieven:

  • 21% (luxe goederen),
  • 9%  (noodzakelijke levensbehoeften, diensten),
  • of 0% (onderwijs, gezondheid)

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

BTW berekenen
Mijn Kapper rekent voor een knipbeurt €16,53 exclusief 21% BTW. Hoeveel is de knipbeurt inclusief BTW?

Ik koop een voetbal van €15 inclusief 21% BTW in de winkel. Hoeveel is de voetbal exclusief BTW?



Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

16,53 : 100 x 21 = 3.47
16,53 + 3,47 = 20 euro

€15,00 = 121 %
115: 1,21 = 12,396.. = €12,40

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!
 Maak paragraaf 6.5  opdracht 1 t/m 16. 

--> Klaar? Rekentrainer 4
                     Huiswerk af?





Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent de afkorting BTW?
=leervraag
A
Belasting Totale Waarde
B
Belasting Toegevoegde Waarde
C
Bruto Totale Waarde
D
Bruto Toegevoegde Waarde

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Accijns
Accijns is een belasting op bepaalde producten met als doel de prijs te verhogen. Hierdoor wordt het gebruik verminderd. 

  • Alcohol
  • Benzine
  • Tabak

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel € van het biertje gaat naar de overheid?
A
€0,08
B
€0,38
C
€1,74
D
€0,46

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Accijns
De overheid maakt bepaalde producten duurder omdat deze slecht zijn voor het milieu of de gezondheid. 

  • Benzine, tabak, alcohol

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Niet-belasting ontvangsten
  • Aardgasinkomsten
  • Winst uit overheidsbedrijven
  • Boetes

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Subsidies
Subsidie = financiële bijdrage van de overheid om mensen en bedrijven te stimuleren
  • Sporten
  • Museumbezoek
  • Milieuvriendelijker produceren
  • ...

Slide 53 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Subsidie en accijns
  • Wil je iets stimuleren? -> subsidie
  • Wil je iets afleren? -> accijns 


Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Op zonnepanelen
A
accijns
B
subsidie

Slide 55 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op wijn zit
A
accijns
B
subsidie

Slide 56 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is GEEN soort belasting?
A
BTW
B
Loonbelasting
C
Subsidie
D
Accijns

Slide 57 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op welk product wordt GEEN accijns geheven?
A
Tabak
B
Museumbezoek
C
Alcohol
D
Benzine

Slide 58 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
6.4 afmaken

Klaar? 
rekentrainer 1 t/m 4 af?
Huiswerk af? 

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies