Thema 5 Erfelijkheid en Evolutie - Vmbo-b jaar 2

Thema 5 
Erfelijkheid en evolutie
1 / 54
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 54 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 70 min

Onderdelen in deze les

Thema 5 
Erfelijkheid en evolutie

Slide 1 - Tekstslide

Welk materiaal voor biologie heb je nodig?
  • Je neemt je B boek mee. Je A boek heb je niet meer nodig.
  • Je neemt je laptop mee. 


Slide 2 - Tekstslide

Thema 5 
Erfelijkheid en Evolutie


Deze basisstoffen worden in thema 5 behandeld:

  • Basisstof 1: Genotype en Fenotype
  • Basisstof 2: Chromosomen en genen
  • Basisstof 3: Variatie in genotype

Slide 3 - Tekstslide

Basisstof 1
Genotype en Fenotype.

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen voor deze les
Aan het einde van de les weet ik: 
1. Alle cellen in je lichaam dezelfde 
     erfelijke informatie bevat.
2. De kenmerken van chromosomen.
3.  Kan ik omschrijven van genotype en 
     fenotype is.

Slide 5 - Tekstslide

Begrippen voor deze les
  • Erfelijk
  • fenotype 
  • lichaamscellen
  • chromosomen
  • DNA
  • Genotype 

Slide 6 - Tekstslide

Je lichaam bestaat uit ongeveer 10 biljoen cellen.

Slide 7 - Tekstslide

Alle cellen hebben een celkern. In de celkern zitten alle erfelijke informatie. 

In de celkern zit dus 
alle belangrijke 
informatie.

Slide 8 - Tekstslide

Fenotype
''Ze lijkt op haar moeder!'' 
Pasgeboren baby's krijgen vaak eigenschappen van hun ouders. Denk aan oogkleur, oorvorm of haarkleur.
--> Dit noemen wij erfelijke eigenschappen.



Slide 9 - Tekstslide

Fenotype
Fenotype: Alle eigenschappen van een organisme
die zichtbaar zijn (eigenschappen die je kunt zien)

Zichtbaar fenotype: Je uiterlijk bijvoorbeeld 
de vorm van je neus of haarkleur.
Onzichtbare fenotype: In je lichaam bijvoorbeeld 
je bloeddruk of de vorm van je organen. 

Slide 10 - Tekstslide

Chromosomen





In de afbeelding zie je een meisje --> een organisme.
  • Een organisme bestaat uit heel veel cellen.
  • Deze cellen heten lichaamscellen.
  • In elke cel zit een celkern.
  • In de celkern liggen chromosomen.
  • Dit zijn lange dunnen dragen en bestaat uit DNA

Slide 11 - Tekstslide

Genotype
📖 DNA = informatie voor al je erfelijke eigenschappen
→ Die informatie zit in álle cellen van je lichaam. 
Bijvoorbeeld: de info voor oogkleur zit ook in je voetcellen!

🧠 Genotype = Alle erfelijke informatie op het DNA
📌 Het is onzichtbaar, maar ligt vast in je cellen

👀 Fenotype = De eigenschappen die je kunt zien of meten
Zoals haarkleur, bloedgroep, lengte

Slide 12 - Tekstslide

Fenotype
Een vrouw verft haar haar paars
  • Haar fenotype verandert (uiterlijk = paarse haarkleur)
  • Haar genotype blijft hetzelfde (bruin, krullend haar)

Genotype bepaalt het fenotype door de erfelijke 
eigenschappen.
  • Het genotype verandert nooit door invloeden van buitenaf
  • Het fenotype wél

Slide 13 - Tekstslide

Fenotype
Je fenotype kan veranderen door de omgeving.
- Littekens op je lichaam. 
- Als je been geamputeerd moet 
worden en je geen been meer hebt.
- Brandwonden 
- Roken: je longen blijven voor altijd 
beschadigd. 


Slide 14 - Tekstslide


Fenotype kan ook blijvend veranderen.

Slide 15 - Tekstslide

Aan de slag

Basisstof 1 Genotype en Fenotype 
Maken opdracht 1 t/m 3
Ben je klaar? Ga verder met opdracht 4 t/m 8
Bladzijde 106 t/m 111
timer
5:00

Slide 16 - Tekstslide

Kaartjes opdracht
- Jullie krijgen kaartjes met informatie.
- Sorteer de kaartjes onder de juiste categorieën: Erfelijke eigenschappen, Fenotype, Lichaamscellen, Celkern en chromosomen. 

Slide 17 - Tekstslide

Wat wordt vaak gezegd over een pasgeboren baby?
A
Dat hij of zij al veel kleuren kan leren.
B
Dat hij of zij eigenschappen van de ouders heeft.
C
Dat hij of zij geen fenotype heeft.
D
Dat hij of zijn geen cellen heeft.

Slide 18 - Quizvraag

Wat betekent het als iemand zegt: ''zij heeft de ogen van haar vader''?

Slide 19 - Open vraag

Wat zijn voorbeelden van erfelijke eigenschappen die je ouders erft.
A
Hobby's en interesses
B
De vorm van je oren en de kleur van je ogen.
C
De lengte van je schooltijd.
D
Of je huisdieren hebt.

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het fenotype?
A
Alleen de zichtbare eigenschappen van een organisme.
B
Alles wat je geleerd hebt.
C
Alle eigenschappen van een organisme zowel zichtbaar als onzichtbaar.
D
Alleen je bloedgroep.

Slide 21 - Quizvraag

Vorm van de neus
Haarkleur
Bloeddruk
Kleurenblind
Zichtbaar fenotype.
Onzichtbaar fenotype.

Slide 22 - Sleepvraag

Uit hoeveel cellen bestaat een organisme?
A
Een grote cel
B
Alleen hersencellen
C
Heel veel cellen
D
Alleen chromosomen

Slide 23 - Quizvraag

Wat ligt er in de celkern van een lichaamscel?
A
Ogen en oren
B
Chromosomen
C
Haar en huid
D
Spieren

Slide 24 - Quizvraag

Waaruit bestaan chromosomen grotendeels?

Slide 25 - Open vraag

Kaartjes opdracht
- Jullie krijgen kaartjes met informatie.
- Sorteer de kaartjes onder de juiste categorieën: 
Erfelijke eigenschappen, Fenotype, Lichaamscellen, 
Celkern en chromosomen. 
- Je krijgt hier 5 minuten voor.
timer
5:00

Slide 26 - Tekstslide

Basisstof 2
Chromosomen en Genen

Slide 27 - Tekstslide

Leerdoelen voor deze les

Aan het einde van de les weet ik:
- Dat elk van de ouders 50 %
   van de chromosomen geeft.

Slide 28 - Tekstslide

Begrippen voor deze les
  • Chromosomenpaar
  • Gen
  • Genenparen
  • Geslachtscellen
  • Celdeling

Slide 29 - Tekstslide

Vertalen van de begrippenlijst.
- Je krijgt een begrippenlijst.
- Op de begrippenlijst staat alles al in het Nederlands.
- Je vertaald de begrippen en uitleg van begrippen naar je eigen taal. 
- Je krijgt er nu 10 minuten voor.

timer
10:00

Slide 30 - Tekstslide

Chromosomen in lichaamscellen.
- Elk lichaamscel van een mens bevat 46 chromosomen.
- De chromosomen liggen in paren: telkens twee die bij elkaar horen.
- Zo'n tweetal noem je een chromosomenpaar.
- In totaal heb je dus 23 chromosomenparen. 

- Chromosomen bevatten DNA dat informatie draagt 
over wie jij bent met al je eigenschappen.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Gen
- Ieder mens heeft duizenden erfelijke eigenschappen.
- Elk lichaamscel heeft 46 chromosomen.
- Een chromosoom bevat informatie voor veel 
    verschillende eigenschappen.
- Een gen is een stukje chromosoom met info
   voor 1 erfelijke eigenschap. 

Slide 33 - Tekstslide

Chromosomen in geslachtscellen
Eicellen en zaadcellen zijn geslachtscellen.
- In de chromosomen komen niet in paren voor.
- Er zit van elk paar maar 1 chromosoom.
- Een geslachtscel heeft 23 chromosomen.


Slide 34 - Tekstslide

Chromosomen in geslachtscellen
- Een eicel van de vrouw - heeft 23 chromosomen.
- Een zaadcel van de man - heeft 23 chromosomen.
- De eicel en de zaadcel gaan mengen.
- De bevruchte eicel krijgt weer 46 chromosomen. 

Slide 35 - Tekstslide

Celdeling
- In de baarmoeder/buik van de moeder groeit een bevrucht eicel uit tot een baby. Er ontstaan miljoenen nieuwe lichaamscellen.

Hoe ontstaat de nieuwe cellen?
- Door celdeling.
- 1 moedercel komen er 2 dochtercellen.
- Elke keer worden de chromosomen gekopieerd.

Alle lichaamscellen hebben dezelfde erfelijke informatie.

Slide 36 - Tekstslide

Aan de slag. 
Maken opdracht 1 t/m 4 
Ben je klaar? Ga dan verder met opdracht 5 t/m 8
Bladzijde 114 t/m 120
timer
10:00

Slide 37 - Tekstslide

Basisstof 3
Variatie in genotype

Slide 38 - Tekstslide

Leerdoelen voor deze les
Aan het einde van de les weet ik:
1. Door geslachte voortplanting ontstaat variatie.
2. Wat een mutatie is.

Slide 39 - Tekstslide

Begrippen
- Variatie in genotypen
- Mutatie
- Mutant
- Albino
- Mutagene invloeden
- Tumor
-Kanker
- Uitzaaiing

Slide 40 - Tekstslide

Genepaar
- Haarvorm is erfelijke eigenschap
- Elk lichaamscel bevat een genenpaar met informatie over je haarvorm.
Meisje 1: 2 genen voor steil haar
Meisje 2: 2 genen voor krullend haar
Meisje 3: 1 gen voor steil haar, 1 gen voor krullend haar.

Slide 41 - Tekstslide

Verschillende informatie
- Je krijgt de helft van je chromosomen van je vader en de andere helft van je moeder.
- Chromosomen komen in paren voor.
- Elk chromosoom bevat informatie voor een eigenschap.


Slide 42 - Tekstslide

Variatie in genotype
- Je krijgt dus van elk ouder erfelijke informatie.
- Soms zie je eigenschappen van je vader en soms van je moeder.
Bijvoorbeeld: ogen van de vader en haar van de moeder.


Slide 43 - Tekstslide

Mutatie
Mutatie in het genotype
- Soms raakt DNA beschadigd. Hierdoor verandert de erfelijke informatie -> genotype.
- Zo'n verandering heet een mutatie.
- Dan is er 1 of meer genen veranderd.

Slide 44 - Tekstslide

Mutatie
Mutatie in het fenotype
- Als de verandering te zien is aan de buitenkant noemen we dat een mutant.
- Bij een mutant is het fenotype veranderd.
- Voorbeeld is Albino: het lichaam kan niet
zelf pigment/kleur aanmaken.

Slide 45 - Tekstslide

Mutagenen invloeden
Soms ontstaan mutaties niet zomaar. Ze kunnen ontstaan van invloeden van buitenaf.
- Dit noemen mij mutagenen invloeden.

- Asbest
- UV-straling (straling van de zon)
- Sigarttenrook
- Rontgen foto's

Slide 46 - Tekstslide


Video over kanker

Slide 47 - Tekstslide

Kanker
- Soms gaat er iets mis in de genen. 
- Een cel begint zich steeds opnieuw te delen.
- De nieuwe cellen hebben geen functie.
- De cellen vormen een klompje: een kankergezwel --> Tumor

Sommige tumoren zijn niet gevaarlijk. Andere wel, die groeien snel. Je wordt ziek!

Slide 48 - Tekstslide

Kanker
- Cellen kunnen loslaten van een kankertumor.
- Ze komen in het bloed en reist door het lichaam.
- Er komen tumoren in andere delen van het lichaam.
- Dit noem je uitzaaiing.

Slide 49 - Tekstslide

Groepsverslagopdracht
- Jullie gaan samen in een groepje een verslag maken over de 3 basisstoffen van thema 5.
- Je werkt in groepjes van 3.
- Verdeelde opdracht. Elk groepslid werkt 
zelfstandig aan 1 basisstof. 


Slide 50 - Tekstslide

Groepjes maken
- Maak groepjes van 3 en ga bij elkaar zitten. 
- Je krijgt hiervoor 1 minuut de tijd. 
timer
1:00

Slide 51 - Tekstslide

Waar let je op tijdens het maken van een verslag?

Slide 52 - Tekstslide

Aan de slag!

Maken basisstof 3 Variatie in genotype
Opdracht 1 t/m 4
Bladzijde 123 t/m 129
timer
10:00

Slide 53 - Tekstslide

Les afsluiten.
Beantwoord de volgende vragen.
1. Waarom zien broers en zussen er niet precies hetzelfde uit?
2. Wat is een mutatie en geef een voorbeeld van een mutatie.
timer
2:00

Slide 54 - Tekstslide